is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regenval in mm.

Station Tijdvak J. F. M. A. | M. J. J. A. S. O. N. D. Jaar

Sape. . . • i930t/m. 1934 64 114 I27| 35 23 28 15 o ^ o 8 j 20 153 587

Met 3 natte en 8 droge maanden bezit bape een tellen, drogen uju. Het aantal waarnemingsjaren is nog gering, maar de bovenstaande cijfers toonen reeds aan, dat Sape tot de regenarmste stations van geheel Nederlandsch Indië moet worden gerekend.

Overzien we het voorgaande, dan is daaruit als voornaamste conclusie te trekken, dat het landschap in de onderafdeeling Bima zonder bezwaar als een cultuurlandschap valt de definieeren. Wel bevinden zich in de hoogste deelen des lands nog boschresten, die de houtvester Rahm oorspronkelijk noemt, maar eeuwenlang heeft in deze bosschen uitkap van goede houtsoorten plaats gehad en zijn ze doorkruist bij het zoeken naar boschproducten1). Voor zoover deze bosschen in de hydrologische reserves zijn opgenomen, moeten ze uit dien hoofde reeds tot het cultuurlandschap gerekend worden.

Het landschap, dat buiten de groote boschgebieden en buiten de tijdelijk of constant geoccupeerde bouwvelden valt, kan een parklandschap worden genoemd. De gedachte, dat dit parklandschap de natuurlijke begroeiingsvorm van het grootste deel van de onderafdeeling Bima zou zijn, verwerpen wij op grond van hetgeen betreffende de werkzaamheid van den mensch in dit gebied uit de voorgaande beschrijving is gebleken.

Wij kunnen dan ook niet meegaan met de opvatting van Mohr, die over het parklandschap van het eiland Mojo, tegenover de noordkust van West-Soembawa gelegen, het volgende schrijft (Lit. 17,

deel II, iste stuk, p. 56):

„Nu is het merkwaardig, hoe het droge klimaat hier, onafhankelijk of het onderliggende gesteente andesiet, basalt of kalksteen, of asch ïs, overal op dit nagenoeg onbewoonde eiland slechts een savannenflora2) veroorlooft op te komen."

Het is onjuist, dat Poeloe Mojo nagenoeg onbewoond is; de bevolking van de kampongs Laboean Hadji, Sebaroe, Sebotok en Arongsantek, op dit eiland gelegen, bestond in October 1930 uit 579 zielen3). Deze bevolking — meest uit Boegineezen bestaande vindt in den landbouw haar hoofdmiddel van bestaan, terwijl scheepvaart en visscherij als nevenbedrijven worden uitgeoefend. De landbouw omvat de cultuur van overjarige gewassen (hoofdzakelijk

1) Zooals was, lange peper, rottan, sogabast en geelhout.

2) Het schijnt juister, van een savannenformatie te spreken. Over de llora

van het eiland is niets bekend. .

?) Volgens de voorloopige zielentalcijfers van de kampongs in de onderatdeeling Soembawa. (Verstrekt door het tijdelijk Kantoor voor de Volkstelling 1930).