is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kend. De reeds genoemde daciettufbank wijst uit, dat de Onder Palembang-lagen ten deele ten W van den Barisan met een erosieperiode overeenkomen. Opmerkelijk is het groote verschil in de mollusken fauna's in de neogene lagen, aan weerszijden van het gebergJon& ^eogeen blijkt ten deele het heteropische aequivalent te zijn van de Midden Palembang-lagen en van een deel van de Boven Palembang-lagen. Waarschijnlijk was tijdens de vorming van de I>oven Palembang-lagen de post-neogene gebergtevormende fase zeer merkbaar. Vermoedelijk vond toen ook de kanteling der Benkoelenschol plaats en de regressie der zee aan de westkust. Behalve andesieten, waarin onderscheiden kunnen worden oudere en jongere andesiet, zijn als stollingsgesteenten daciet en daciettuffen, graniet en granodioriet en granodiorietporfyriet aanwezig. Deze gesteenten moeten grootendeels jonger zijn dan de Telisa-lagen. Een dacietgangetje is ook nog in een kwartsdioriet aangetroffen en dus jonger.

De tectoniek is, voor zoover die kan worden nagegaan, vrij eenvoudig en wordt beheerscht door de anticlinaalkern van den Barisan. De opheffing van den Barisan vond plaats in het Oud Neogeen, ten gevolge waarvan de Telisa-lagen aan weerszijden ongelijk zijn geworden. In het Plioceen drong de zee weer van het ZW binnen. Daarna vond weer opheffing plaats. Enkele breuken zijn nog waargenomen. Van nuttige delfstoffen zijn sporen goud aangetroffen, verder zijn warme bronnen aanwezig. Kr.

Geologische kaart van Sumatra. Schaal 1:200.000. Blad 16, Lahat. Uitgave van den Dienst van den Mijnbouw in Ned. Indië, 1937-

De toelichting van genoemd blad is van dr. Musper, de geologische opname werd verricht door een aantal geologen van den Dienst waaronder ook de schrijver. Het onderzoek van fossielen en gesteenten is door de specialisten in Bandoeng gedaan. In verband vooral met het voorkomen van olie (Moeara enim) en kolen (Boekit Asam) zijn in den loop der tijden vrij veel publicaties over het gebied verschenen. In het ZO van het terrein bevindt zich het Goemai-gebergte, een uitlooper van den Barisan. Dit gebergte gaat naar het Z over in het hoogland van Pasoemah. Ten Oosten daarvan, eveneens aan den zuidrand van het blad, ligt de G. Isau Isau (1431 m) een vulkaanruïne met nog duidelijk overblijfselen van den krater. Tusschen de A. Lematang, de A. Enim en de G. Isau Isau ligt het veel lagere Serelo-gebergte (tot 733 m), waartoe ook de Bt Asam-groep behoort. Het overige deel vormt een golvend heuvelland, door Tobler onderscheiden in een „voorland", de peneplain van Palembang, en een „tuf- en agglomeraatmantel". Van deze verdeeling wordt hier afgeweken. Van een schiervlakte zijn echter wel resten aanwezig.

De oudste gesteenten behooren tot het Krijt: Ze komen voor in het Goemai-gebergte en bestaan uit graniet en daarmee samen voorkomende extrusiva en ganggesteenten, pyroxeniet (gangvormig) en de sedimentgesteenten van de Saling-serie en de Lingsing-serie.