is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wichtsverstoringen met jongtertiaire structuren en daaruit een overeenkomstigen ouderdom afgeleid. Spreker toonde aan, dat beide elementen veeleer een duidelijke verschuiving ten opzichte van elkaar vertoonen, wijzende op de, in de alpine tektoniek welbekende processen van jongeren „Anbau" en „Fortbau".

Het bezwaar, beter de klacht, dat van dit recente diastrophisme zoo weinig aan de oppervlakte te zien is, noemt spr. tragikomisch. Komisch omdat er nu eenmaal tijdens het proces der structureele bergvorming en daarmede gepaard gaande evenwichtsverstoring in de diepte, aan de oppervlakte slechts verbuigingen zichtbaar zijn; tragisch omdat deze bewegingen aan de oppervlakte, welke slechts langs morfologischen weg waarneembaar gemaakt kunnen worden, nimmer de belangstelling onzer officiëele morfoiogen heeft mogen hebben. Ware dit het geval geweest dan zouden wij naar alle waarschijnlijkheid heel wat meer weten van de recente oppervlaktebewegingen in den Indischen Archipel en niet zoo'n moeite hebben om het verband op te sporen tusschen hetgeen zich in de diepere deelen van de aardkorst en aan de oppervlakte voordoet.

Het bezwaar, dat de postmiocene opheffing en denudatie te gering zouden zijn om de jongmiocene evenwichtsverstoringen te doen verdwijnen, acht prof. Smit Sibinga ongegrond; in de eerste plaats, omdat deze nog geenszins verdwenen zijn en in de tweede plaats aangezien wij zelfs niet bij benadering weten hoe groot zij geweest zijn en dus evenmin kunnen vaststellen of opheffing en denudatie sindsdien onvoldoende geweest zijn om ze tot de huidige sterkte te reduceeren.

Het voorkomen van recente dalingsgebieden langs de strooken met krachtige evenwichtsverstoringen, welke op een aan bergvorming tegengesteld proces zouden wijzen, acht spreker integendeel juist in harmonie met recent diastrophisme, aangezien men in geologisch beter bekende ketengebergten steeds weer heeft waargenomen, dat perioden van versterkte bergvorming hand in hand plegen te gaan met een dieper worden der aangrenzende bekkens, gepaard met een versterkten puintoevoer.

Tenslotte acht prof. Smit Sibinga een vergelijking van de jongmiocene Indische met de midden-oligocene alpine bergvormende faze, teneinde door dit ouderdomsverschil het ontbreken van krachtige evenwichtsverstoringen in de Alpen en het bestaan daarvan in Nederlandsch Indië aannemelijk te maken, onjuist, aangezien na het middenoligoceen in de Alpen nog zeer krachtige bergvormende bewegingen hebben plaats gehad. Een vergelijking met het laatste alpine paroxysme, hetwelk in het plioceen plaats vond, zou dus slechts zin hebben. Dan blijken de Indische krachtige evenwichtsverstoringen echter eerst recht recent te zijn.

De voordracht gaf aanleiding tot een levendige gedachtenwisseling, waaraan dr. Ph. H. Kuenen, prof. dr. F. A. Vening Meinesz en prof. dr. H. A. Brouwer deelnamen.

K. N. A. G., LV.

22