is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een uiterst vruchtbaar gebied van duizenden ha blijft liggen, waar de bevolkingsdichtheid het getal 7 niet overschrijdt.

In de volgende hoofdstukken zullen wij deze vraagstukken en de oplossingsmogelijkheden nader bezien. Het verkeersprobleem is vrijwel geheel afhankelijk van den waterstaatkundigen toestand. Deze laatste staat echter weer niet op zichzelf. Het is een bekend verschijnsel in ons land, dat het water zich niet op één plaats laat terugdringen en beheerschen, zonder op andere plaatsen nieuwe, soms nog gevaarlijker problemen te voorschijn te roepen. Daarom vormen de waterstaatkundige vraagstukken van den Biesbosch geen zaak, die op zichzelf te regelen is, maar hangen zij nauw samen met die der omringende gebieden, ja zelfs met de omgeving in vrij ruimen omtrek. Evenmin is het echter mogelijk verandering in de waterstaatkundige positie van die naburige gebieden te brengen, los van het Biesboschprobleem. Oplossing voor één onderdeel moet noodwendig den toestand elders verzwaren. Daarom zullen wij in het volgende, na uitvoeriger bespreking van de hydrografische en de sociaal-geografische verhoudingen in den Biesbosch, een hoofdstuk wijden aan de bespreking van die gebieden, wier problemen van gelijksoortigen aard zijn en gelijktijdig orm oplossing vragen. Dit zijn het gebied bezuiden den Amer, de Donge-polders en het gebied van het Oude Maasje, respectievelijk behoorende tot de waterschappen: „De Amerkant", „De Beneden Donge", en ,,Het Zuiderafwateringskanaal".

IV. WATERSTAATKUNDIGE TOESTAND VAN DEN BIESBOSCH

Vóór de vorming der Nieuwe Merwede voerde een aantal killen beneden Werkendam het Merwedewater voor een groot deel naar het ZZW.-ZW. af. Deze killen, over wier al of niet afsluiting in de 17e, 18e en eerste helft van de 19de eeuw heel wat te doen is geweest 1), voerden veel van het slibrijke Merwedewater naar het Bergsche Veld en veroorzaakten de verwildering van de Beneden-Merwede. Toen ten slotte de werken, voorgedragen in het advies van de inspecteurs van den Waterstaat Ferrand en Van der Kun werden uitgevoerd, werd van 1850—1886 door uitschuring en uitbaggeren van bestaande killen de Nieuwe Merwede gevormd. Van 1864—1884 werd langs den linkeroever van de nieuwe rivier een dijk gelegd van Werkendam tot Deeneplaat, welke thans een hoogte heeft van 4.50 m tot 3.30 m + N.A.P. Daarvoor werden een groot aantal killen afgedamd o.a. de Bakkerskil, het Steurgat, Bevert en het Gat van het Steenen huisje. Hierdoor kwam aan de zijwaartsche wateronttrekking voorgoed een einde en het van het ZW. opkomende vloedwater moest nu in de killen tot stilstand komen. Dat daardoor de opslibbing in de uiteinden der killen moest toenemen is duidelijk. Vele zijn thans in grienden of rietlanden herschapen; enkele zelfs mede ingedijkt. Dooiden aanleg van een ruim 1500 m langen strekdam, thans 1.80 m

1) Zie Teixeira de Matthos, De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, Deel IX afd. VI, blz. 206 vv.