is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de granaat-epidoot-hoornblende-associatie identiek aan de A-provincie, die voor de loess karakteristiek is. Uit de weinige gegevens, die F. A. van Baren (Lit. 8) meedeelt, blijkt bovendien, dat de eigenlijke verweeringsproducten van het Krijt, zooals de Kleefaarde, iets geheel anders opleveren dan de A-associatie.

Voor zoover ik zie, is de eenige mogelijkheid, die Van Rum melen zou kunnen aanvoeren om de mineraal-associatie van de Limburgsche loess uit ter plaatse aanwezig materiaal te verklaren, het mariene oligoceen, hetwelk destijds nog juist binnen de invloedssfeer van den marienen toevoer van A-materiaal heeft gelegen (Lit. 6). Het komt mij echter voor, dat deze mogelijkheid geen voldoend alternatief is voor den aeolischen toevoer van A-materiaal tijdens of na den daarvoor in aanmerking komenden Risz-ijstijd.

Verscheidene onderzoekers, waaronder Druif en Dechering l) hebben gewezen op de voor aeolische afzettingen zoo karakteristieke slibcurve van de Limburgsche loess. Over de waarde van deze eigenaardigheid bestaat veel buitenlandsche literatuur en de algemeene opinie is, dat inderdaad deze slibcurve voor aeolischen aanvoer bewijzend is.

De groote waarde van het werk van Van Rummelen ligt hierin, dat hij duidelijk heeft gemaakt, dat de huidige ligging van het loessmateriaal in het landschap niet in overeenstemming is met de aeolische theorie. Na wat in de laatste jaren bekend is geworden over den enormen invloed van het klimaat tijdens het Würmglaciaal op de oppervlakte van het Pleistoceen in Nederland behoeven de talrijke abnormaliteiten, die Van Rummelen in het loess-gebied heeft gevonden, geen bezwaar te zijn tegen een oorspronkelijk aeolischen aanvoer van het loess-materiaal, maar kunnen worden beschouwd als een gevolg van periglaciale invloeden. Daartoe is ook te rekenen de vermenging van het loess-materiaal met locaal materiaal in het grensgebied van de loess, hoewel blijkens waarnemingen van! dr. W. A. J. Oosting tijdens de bodemkundige excursie van mijn Laboratorium naar Zuid-Nederland, 13—17 September 1937, ook de invloed van den mensch op de oppervlakkige gesteldheid van dit oude cultuurgebied enorm geweest is.

Velen zullen met belangstelling uitzien naar de verschijning van de betrokken bladen van de geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, op welke bladen de Geologische Stichting, in het bijzonder de Directeur van de Afdeeling Geologische Kaart, dr. P. Tesch, haar zienswijze over het loess-vraagstuk kenbaar zal maken. Blijkens een zoojuist verschenen publicatie van Tesch2) heeft hij het begrip loess in de oude opvatting gehandhaafd, terwijl een nieuw begrip, lokaal1 o e ss, pendant van lokaal-moraine, is ingevoerd ten einde tot uit-

1) F. Dechering — Rapport over het onderzoek van een 94-tal monsters uit Zuid-Limburg, hoofdzakelijk afkomstig van de Lössgronden. Versl. Landbouwk. Onderz. 42 (6) A, 1936.

2) P. Tesch — Het begrip löss. Geologie en Mijnbouw, 16, 1938, blz. 98—99.