is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze oplossing heeft het groote voordeel, dat hierdoor de oude identificatie Grinnes = Rossera kan gehandhaafd blijven; deze is trouwens de meest aannemelijke, daar de munten op een vrij intensieve bezetting van deze plaats in den tijd der Julisch-Claudische keizers wijzen. Ruim één vijfde van de determineerbare munten *■) is uit den tijd van vóór 70 na Chr. (namelijk 38 van de 175, in Arentsburg slechts 12 van de 210!). Buiten Nijmegen is er in den omtrek geen andere plaats, die al zoo vroeg door de Romeinen was bezet, terwijl de vermelding van Grinnes bij Tacitus (Historiae V, 20—21) het voorkomen van voor-Flavische overblijfselen op de plaats, waiar men Grinnes wil localiseeren, vereischt.

Ad duodecimum is bij Wamel tegenover Tiel te zoeken, dat 27 km of 12 leugae van Ulpia Noviomagus afligt2). Tablis en Caspingium zijn voorloopig onbekende grootheden. Wij weten van het rivierengebied, dat in den loop der eeuwen zoo sterk veranderde, te weinig om ons aan gissingen te wagen. Brunsting brengt Tablis in verband met TctficvXtx. bij Ptolemaeus (II. 9. 5) en met de Zuidhollandsche riviernamen Dubbel en Alblas. Rossem—Monster is hemelsbreed ± 85 km en Flenio—Grinnes is 48 leugae of 106.5 km. Volgt men Waal en Maas, dan is de afstand Rossem—Monster ongeveer 100 km. Hieruit blijkt, dat men, ook zonder de ongeloofwaardige bocht van den heer Schoo, langs den zuidelijken weg rustig met leugae meten kan 3).

Voor Noviomagus—Fectio acht ik de reconstructie van prof. Byvanck, die hiervoor het gegeven van Holwerda's Lingedijk uitwerkte, nog steeds de meest bevredigende 4). Levefano is dan Wijk bij Duurstede, Carvone Kesteren, terwijl Castra Herculis te zoeken zou zijn bij Haalderen, waar van uit 't Zuiden een tweede dijk recht op den Linge-dijk aankomt. Voor Mannaritium komt Dienden in aanmerking, waar overblijfselen uit den Romeinschen tijd zijn gevonden. De heer Kroon heeft opgemerkt, dat bij Haalderen nooit Romeinsch gevonden is en dat de afstand Nijmegen—Haalderen maar half zoo groot is als Castra Herculis—Noviomagi (8 leugae of 17.6 km). Prof. Byvanck tracht dit groote verschil te verklaren door een grooten omweg aan te nemen voor den overgang over de Waal. Deze omweg is echter al te

1) C. Leemans, Romeinsche Oudheden te Rossem, Leyden 1842. Vgl. de muntenlijst op p. 131—-146.

2) Uit Tiel zijn laat-Romeinsche vondsten bekend; Holwerda, N. V. G., p. J&2ii.

3) Uit het ontbreken van den zuidelijken weg in het Itinerarium Ant. te willen afleiden, dat deze weg minder belangrijk zou zijn of eerder verlaten, is minstens voorbarig. De Maasweg bv. van de Tabula was zeker een belangrijke verbinding en deze ontbreekt ook in het Itinerarium Ant. Omgekeerd ontbreken wegen daarvan op de Tabula, bv. de weg Xanten—Heerlen. Op de Tabula is het voorkomen van wegen afhankelijk van de plaatsruimte, in het Itinerarium Ant. van het toeval en de slordigheid of grilligheid van de(n) samensteller(s). Vgl. Kubitschek „Eine römische Straszenkarte".

4) A. W. Byvanck, Romeinsche Oudheden, Oudheidkundig Jaarboek 1922, p. 95—99. Voor deze reconstructie moet men VIII in plaats van XVI lezen tusschen Fectio en Levefanum, wat palaeografisch heel eenvoudig te verdedigen is: V voor X en III voor VI.