is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren ondergrond geen ondoorlatende lagen aanwezig waren, was de verzouting in den zomer ernstiger. Het capillair opstijgende water wordt op dergelijke terreinen niet alleen geleverd door de in den loop van den zomer steeds trager vloeiende bron van het bodemwater, maar ook, en in hoofdzaak, door het in onbeperkte hoeveelheid aanwezige kwelwater. De verzouting in den zomer kon op deze plekken zóó ernstig zijn, dat het tempo van de ontzilting er merkbaar door vertraagd werd.

De invloed van de meeste dezer factoren (tijdstip van begreppeling, grondsoort en kwelverzouting) op het tempo van de ontzilting is goed na te gaan op de aan het rapport toegevoegde kaarten, die een beeld geven van het zoutgehalte der Wieringermeergronden in den loop der jaren.

Reeds voor de grond al zijn zout verloren heeft, kan deze in cultuur genomen worden. Bij de ontzilting grijpt het bodemwater eerst de bovenste lagen van den grond aan, zoodat het zoutgehalte van den bovengrond eerder daalt dan dat van den ondergrond. Ook in de Wieringermeer bleek, dat zoodra in de laag van 5—20 cm de concentratie van het zout in het bodemwater tot 3 g per 1 gedaald is (de ondergrond bevat dan nog zeer veel zout), de grond bij voorjaarszaai in cultuur genomen kan worden. Bij zandgronden werd dit punt aan het einde van den winter bereikt, vóór welke de begreppeling aangelegd was; bij kleigronden pas aan het einde van den tweeden of derden winter.

Daar de beweging van het zout in den bodem nauw samenhangt met die van het water daarin, is aan de waterbeweging van den grond een afzonderlijk hoofdstuk gewijd, waarin cijfers over regenafvoer, verdamping en capillaire opstijging gegeven worden. In dit hoofdstuk wordt ook de beteekenis van den dieperen ondergrond voor de waterbeweging besproken. (Auto-referaat)

Onze duinen. Uitgave van de Algemeene Vereeniging voor Natuurbescherming van 's-Gravenhage en omstreken, 1937. Onder Redactie van A. Schierbeek, medew. M. R. S. Boetje-van Ruyven, dr H. C. Blöte, A. Brouwer, S. G. A. Doorenbosch, ir. W. J. Harders, enz.; 127 blz. met talrijke teekeningen (niet in den handel).

Het eerste artikel, dat misschien het meest onze belangstelling zal hebben is van A. Brouwer: Hoe duinen ontstaan en veranderen. Het is in het kader van het werk uiteraard zeer beknopt. De andere stukken behandelen het klimaat, de flora en de fauna, duinpark- en duinbebossching en duinen als waterwingebied. Zoodoende behelst het boek in beknopten en populairen vorm veel van wat er al over de interessante duinstrook te vertellen valt.

Kr.

Veen, J. E. van — Die Ostracoden in der Tuffkreide ohne gelbe limonitische Farbung unter dem Koprolithenschichtchen zu Slavante. Natuurhist. Maandblad, 27e jaarg., blz. 10—12 en 15—20 met één pl.; 1938.

In bovengenoemde mededeeling worden als vervolg op de on-