is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ist daerumb unse meynonghe ind gnedigst gesynnen gy willen aldaer bynnen unser stadt vlytich ind nerstige toeversicht. hebben, ingefall jemantz myt alsulcken seckten befaempt ader betichtiget warde, dat dieselvige niet gestaldt sunder terstondt aengehalden ind daer vur aengesehen ind der geber gestraift werden. Dergelicken willet oick nyet gestaeden, dat enygen fremde ader onbekant inkoemelingen, die aen ind uyt anderen orderen verbannen, verjaget, ofi' sich argwonige personen weren, in unse stadt aldaer aengenomen ader onderhalden werden. Idt en weer dan saicke zy genochsam scliyn ind bewys brechten van oere overheyt, daer zy onder gewest ind verkyert, dat zy eerlych affgescheyden, ind sich waell gehalden hedden, waerby durcli dieselvige gheine moeyterie ader nyhe seckten ingefuert werdeii durf.

Uit deze aanschrijving meen ik te kunnen opmaken, dat te Arnhem zich langzamerhand Wederdoopers vestigden, van elders gekomen en door de Regering der stad oogluikend toegelaten. Maar de Spaansche heerschappij, die de mildere regering van Hertog Willem van Cleef verving, en de strenge vervolgingen om des geloofs wille moesten wel 011gunstig werken op de vestiging van Doopsgezinden, die elders meer veiligheid konden vinden. — Als een bewijs, hoe streng de vervolging was, en met welk een ijver de Overheid de Wederdoopers opspoorde, kan strekken de brief, Pinkster 1544 geschreven door den Kanselier en Leden van den Raad in Gelderland aan de Koningin Maria te Brussel *), waarin zij melden hoe zij, vernomen heb-

*) Te vinden in het Staats-archief te Brussel, gelijk mij welwillend is medegedeeld door den lloogleeraar J. G. de Hoop Scheffer.