is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gund om burger te worden, mits geen geheime conventiculen in de Ketelstraat houdende. Hij meende, dat de Heeren hem niet konden verbieden „aldaar wat goeds te gaan hooren," waarop hem het burgerschap geweigerd werd. Intusschen vergunde men hem voorloopig zijne vensteren te openen en „ eeriige verderfflicke (aan bederf onderhevige) waren te vercopen."

Nu de Magistraat aan de Mennonisten, al is het met eenige terughouding, gunsten verleent, en ook het burgerschap schenkt en burgerpligten van hen eischt, is het niet zoo vreemd, dat hij de inwonende Mennonisten tegen de in zijn oog verregaande aanmatiging en inmenging van vreemden, burgers van een andere stad, in bescherming neemt. In het Raad-signaat van 15 Maart 1682 toch wordt het volgende medegedeeld: ,/ Synde den magistraet aengediend, dat twee Mennisten van Leyden hier gekommen waren om eenigen burgeren deser stadt van hare gesintheyt derwaerts te citeren over sekere sake by pene van excommunicatie, hebben oere Err. de voorz. Mennisten boven bescheyden, synde eenen Jan Rosé prediq. van de Mennisten Vlamingen gen. en Jan Gerrits, broeder van deselve secte, dewelcke op ondervraging van den burgermeister verklaerden, dat sy van hare Gemeinte hier gesonden waeren, om eenige broederen van hare gesintheyt te onderrichten, dat sy niet behoorden gemeinschap te houden off te converseren met degenen die sy wegens eenigen sonden geexcommuniciert hadden, maar niet om iemand na Leyden te citeren. En als sy vorders gevraecht waeren, off hier bereit sommigen van hare gemeinten geexcommuniciert waeren, hebben verclaert, Jae en sodane personen genomineerd, namelick Jacob van