is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch bleef er altijd een kern, die, al nam de gemeente met ieder jaar in tal van leden af, aan haar een duurzaam bestaan verzekerde, omdat die kern van de kracht des H. G. in zich droeg. Dit aan te nemen is noodzakelijk, zal men verklaren, hoe, in weerwil van de laauwheid en onverschilligheid van velen, toch in 1773 eene nieuwe kerk werd gebouwd, wier netheid en hechtheid bekend zijn In weerwil van de laauwheid en onverschilligheid van velen, zeg ik, immers bij de inwijding van die kerk achtte Ds. Cuperus het noodig om de vraag te beantwoorden; ;/zijn wij volstrekt verpligt tot den openbaren godsdienst, of kunnen wij in een aanhoudend moedwillig verzuim van denzelven leven, en echter goede Kristenen zijn en blijven?" De behandeling van zulk een onderwerp had haar reden van bestaan in den toestand der gemeente, en opmerkelijk is de eerste zinsnede van de toepassing: ,/Iaat ons, mijne Geliefden! liet stuk van openbaren godsdienst niet langer voor een onverschillig punt aanzien!'

Wij hebben vroeger reeds opgemerkt, hoe Cuperus bij gelegenheid van die inwijding kon verzekeren, dat de Doopsgezinden in Utrecht, na de Unie, in alle rust en vrede hadden geleefd, en van de Magistraat der stad nooit eenigen overlast hadden ondervonden. Zijn ambtgenoot, üs. C'ornelis de Vries, was oorzaak, dat de woorden van Cuperus bijna beschaamd werden gemaakt, en een wolk van toorn zich voor een oogenblik uitbreidde over de achtbare hoofden van het Bestuur. De Vries preekte 's avonds over het thema: de verdraagzame begrippen der Doopsgezinden niet onbestaanbaar met hunne aanhoudende afzondering van de overige Christenheid," en hij koos tot tekst Joh. IV: 9: „ Want