is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//dat ghy die sijn Discipel wilt sijn, met Gout ende Sil// ver behangen gaet, u snoode Licliaem met zyde en i'lu// weel bekleet, uwen Heere en hadde niet om sijn hooft // op neder te leggen, ende ghy hebt kostelijcke geboude // wooninghen, Pronck-Kameren, en alderley soorten van // wellusticheden, Uwen Heere stont met een Doornen Croone // gecroont, u tot een exempel, Ende ghy eu weet niet hoe // ghy u sondige hooft genoech optoyen en verderen sult, // met alle pracht en kostelickheyt, Siet hoe vele ghy met // malcanderen verschilt, Ende scliaemt u voor hem."

In zijne Paaschpreken handelde hij zoowel over de noodzakelijkheid der opstanding van Christus in 't algemeen, als over de verschijningen van den Verrezene aan zijne apostelen en vrienden in 't bijzonder; hij gedacht daarbij de profetiën, die van den Chjïstus getuigden, en toonde aan, hoe // Hy oock in ons moet verrijsen na den Geest, // en ons wederbaren tot een nieu leven."

Op den laatsten Zondag vóór Pinksteren koos hij veelal tot zijn tekst Joh. 16: 5 //En nu ga ik heen tot Den//gene, die my gezonden heeft," en roemde dan het zalige uiteinde van hein, die deze wereld verlaten mag in de bewustheid, dat hij gedurende zijn leven hier op aarde Gods wil heeft volbragt.

In zijne rede, voor den eersten Pinksterdag bestemd) sprak hij van de uitstorting des Heiligen Geestes. Daags daaraan preekte hij niet zelden over Joh. 3: 16, daarbij wijzende op de liefde Gods, die zich niet alleen openbaart in Zijne vaderlijke zorg, waarmede Hij zelfs de boozen be weldadigt, maar vooral ook daarin zigtbaar wordt, dat Hij den mensch een eeuwig leven schenkt.