is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De goedgunstige lezer zal, hoop ik, deze uitwijding niet overbodig achten. Zij inoest dienen, om liet standpunt aan te wijzen, waarop Jeronymus Segersz stond en waaraan hij zelfs onder de zwaarste beproeving getrouw bleef.

Den naam dragen van een geloovige in Christus boteekent niet; men behoort ook met de daad en in waarheid te toon en, dat men christen is. — Zietdaar, het aanbeeld, waarop hij bij herhaling klopt.

Die practische strekking komt vooral uit in zijn brief aan de broeders en de Susters, — zijne doopsgezinde geloofs-genooten.

// Och siet — sclnjft hij onder andere, — och siet, mijn // lieve vrienden, 't en is niet genoeg, dat wij veel in Christi //naam gedoopt zijn en een Broeder of Suster Christi hee//ten en den naam van christenen dragen. Och neen, dat //en kan niet salig maken." — Na aanhaling van onderscheidene gepaste schriftuurplaatsen, gaat hij voort: // Ik //heb al veel beroemen der christenen onder ons gezien, // dewelke Christus met de tongen liefhebben, maar met' er //daet versaken sij hem, welk seer te beklagen is, want //sij slachten het valsch geit, dat van buijten schoon goud // schijnt te zijn, maar als 't op den toetzsteen oft in 't // vijer komt, dan is 't binnen niet dan koper." Met nadruk verklaart hij: // sulken volk heeft Christus uitver" koren, die niet ijdel noch lichtvaerdig zijn, maar door // verduldigheijd en goede werken het eeuwige leven soe//ken." — //Die van grond haers herten gelooven, geloo// vende doen, zijn de rechte kinderen Gods en die sullen // ook voor de geloovige in het Rijk der Hemelen gere// kent worden."