is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

// der die sterft haast van rouwe." — Hier, begreep Segersz, mogt hij het stilzwijgen niet bewaren. Op nadrukkelijken toon gaf hij ten antwoord: // al stond de deur //open en dat gij seide: //gaet en seijt maer: //het is mij //leut," ik en soude niet gaan, want ik weet wel, dat ik // de waerheijd hebbe," — en als nu de markgraaf de dreigtaal volgen liet: //ik zal u levendig doen branden, wilt // gij niet hooren," sprak de geloofsheld even onversaagd: //al wat gij mij om mijn geloof doet, dat wil ik gaerne //lijden."

En het bleef niet bij vleijende lokstem of bitsche dreiging: men spaarde ook geen maatregelen van geweld.

Pijnlijk gevoelt men zich aangedaan, terwijl men zich hem voorstelt, daar op de martelbank vastgebonden, de leden uitgerekt, worstelend, als met den laatsten snik. Maar geen folteringen waren in staat, hem zijn geloof te doen verzaken. Zelfs, hoe men hem ook perste, geen naam ontglipte hem, die ten draad kon dienen voor verdere vervolging.

Nu mogt nog lasterzieke ijverzucht haren wrevel zoeken te koelen, door hem na te geven, dat hij zijne kettersche leer had herroepen: hij was zich bewust, dat hij den palm der overwinning uit den strijd had weggedragen. Afstand doen van zijne Evangelische belijdenis zou zijn, den Heer verlaten en daartoe kan geen magt der wereld hem dwingen. Neen, neen, — dan liever alle dagen tienmaal gepijnigd en dan nog ten laatste op een rooster gebraden. — Hij geloofde, daarom sprak hij.

En daarom ook gaf hij niet zich zeiven, maar Gode de eer voor den moed en de onwrikbare standvastigheid, door hem aan den dag gelegd. // Och, mijne hartgrondelijke lieve