is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. Om iii zijne regten als lid dezer gemeente te worden gemainteneerd.

Waarop de kerkeraad heeft geantwoord: niet te weten waarin ZEd. moest gemainteneerd worden.

2°. Dat de kerkeraad een resolutie gelieve te nemen, om voor te komen dat er op requisitie van een' of meer van de leden dezer gemeente, een ander lid kan worden genoodzaakt voor eenige regtbank te verschijnen om een declaratoir, rakende zijn gevoelens in de godsdienst, te geven.

3°. Dat geen lid door de regtbank van zijn stemregt kan worden ontzet.

Dat de kerkeraad het er niet voor zou houden dat hij het declaratoir in questie approbeerde, al verscheen hij op den bepaalden dag niet voor de regtbank in 'sHage.

Waarover de questie liep blijkt niet duidelijk. Vermoedelijk was de bedoelde broeder wat al te vrijzinnig op het punt van de weerloosheid, althans in de vergadering van Junij 1786 bragt de reeds menigmaal genoemde J. O. een klagt in den kerkeraad, dat hij sedert eenigen tijd zich niet alleen in den wapenhandel oefende, maar zelfs officier van de schutterij was geworden, hetgeen strijdig was tegen de vereenigingswet en tegen het beginsel der Doopsgezinden in 't algemeen. Er wordt besloten een lid van den kerkeraad, den broeder van den beschuldigde, in commissie te stellen om hem een vriendelijk voorstel te doen, of hij niet genegen zou zijn, zijn lidmaatschap van de ge-

8