is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volger is onbekend. Hier kwam Menno ten jare 1532 (//toen ik ontrent een jaer alclaer gevvoont hadde") in aanraking met de teerste aanvangers die met der doope in//braeken" d. i. denkelijk met de leerlingen van Jan Volkertsz. Trijpmaker, leeraar bij de Doopsgezinden te Amsterdam, en vervolgens met ffdie secte van Munster" d. i. met de zendelingen vau Jan Malthijsz. van Haarlem

Donker, zeker al te donker gekleurd is het tafereel, dat Menno van zijne werkzaamheid te Witmarsum in dezen tijd ophangt. In weerwil zijner schriftkennis ,/zocht hij daar niet dan gewin, gemak, menschengunst, heerlijkheid, naam en eer"; sprak wel veel van des Heeren Woord, maar zonder geest en liefde; ontdekte wel aan velen //de papistische gruwelen1 zoodat sommigen op zijn vermaning de R. K. kerk verlieten, maar bleef zelf bij //zijn ruym leven en bekende grouwelen"; waarschuwde wel tegen de verleiding der aanhangers van Jan Matthijsz, maar vorderde niet. Eindelijk deed de herovering van 't Oudeklooster, den 7den April 1535, dat de laatstgenoemde aanhangers overmeesterd hadden, zijn geweten ontwaken. Terstond vatte hij de pen op, om ffde onnoosele, dwalende schapen" teregt te wijzen, 't geen hij diep gevoelde tot heden toe schandelijk verzuimd te hebben, en zijn tractaat tegen Jan van Leyden (Mei 1535) zag het licht. Maar ffook van den predickstoel begon //hij opentlijk dat woord eener warer boeten te leeren" en ging daarmede voort, totdat //die genadige groote Heere na //den tijt van negen maenden of daerontrent hem zijn va,/derlijken geest, hulpe, kracht en handt langde" dat hij voor goed afstand deed van zijn vicariaat en de R. K. kerk verliet. Hij werd als vicaris opgevolgd door Sytse Hania: te gelijkertijd ontving Witmarsum in Heer Aesgo een nieuwen