is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 5, 1865, 01-01-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzelfde regt en gezag moet toekomen, als aau een oud en geacht lid der gemeente.

Dit een en ander zal, dunkt mij, ieder moeten toestemmen. Dat deze bezwaren zich doorgaans niet doen gevoelen, en dat men welligt geen kans ziet om ze in enkele mogelijk voorkomende gevallen te ontwijken, doet hierbij minder af: maar men kan ze niet wel loochenen. — Doch uit den aard eener geestelijke (christelijke) vereeniging vloeit toch ook wel van zelve voort, dat de geestelijk ontwikkelden meer invloed moeten hebben: — ja, ik zou zeggen, indien het af te passen ware, dat hun invloed juist in verhouding tot hunne (morele en intellektuele) ontwikkeling moest staan. Hiertegen wordt wel aangevoerd: „zoo de gemeente iemand tot den doop heeft toegelaten en in haar midden opgenomen, — dan heeft ze hem in alle gemeentezaken, die toch alle van minder belang zijn dan het afleggen der geloofsbelijdenis, voor mondig verklaard". Doch ik spreek dit tegen, en acht het eene overdreven idealistische beschouwing, die door de werkelijkheid niet bevestigd wordt. Of wie durft alle leden in de gemeentezaken mondig noemen, kan ze inderdaad daarvoor achten P Maar dit is ook niet volstrekt noodig — hoezeer het wenschelijk ware, en, vooral in onze gemeenten, eigenaardig moet verlangd en in den regel verondersteld worden. Maar kan er niet zeer wel een eenvoudig vroom jongeling, of jóngedochter, tot den Doop op belijdenis des geloofs toegelaten worden, die overigens van de gemeentezaken geen verstand heeft, en dat ook welligt nooit krijgen zal, of althans eerst in verderen leeftijd? Is de gemeente niet (wat ook in andere opzigten alle aandacht verdient!) zoowel eene opvoe-