is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 5, 1865, 01-01-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen middelen konden aanschaffen, een meerdere of mindere uitgestrektheid akkergrond in eeuwigdurende erfpacht met het daartoe benoodigde zaaikoren (50 tot J 00 mud) kosteloos aan en stelde eene geheel voltooide boerenwoning met stal en landbouwgereedschap tot hunne beschikking.

geheei onbemiddeld waren, kregen ook het noodiee vee voor niet.

Voor de handwerkslieden, wien terstond het burger- en gilderegt werd toegekend, waren de huizen nog niet gebouwd, maar hun werd een tuingrond van 1600 vierk. roeden met het vereischte timmerhout kosteloos aangeboden, het overige bouwmateriaal tegen voorschot (in zes jaar af te lossen) verstrekt en 50 flor. voor 't aanschaffen van gereedschappen enz. gegeven.

Toen velen, vooral in Westelijk Duitschland, waar men destijds voor overbevolking beducht was, zich op deze uitnoodiging als kolonisten hadden aangegeven, droeg de regering liet regelen dezer zaak verder op aan vier rijkscommissarissen, Graaf Metternich, gevolmagtigd Minister aan de Keurvorstelijke hoven te Trier, Mainz en Keulen, von Röthlein, resident te Frankfort aan den Main, von Blank, hofraad en landvoogd van Hohenberg te Rottenburg en Gonst. Böckh, regeringsraad, die de getuigschriften der kolonisten omtrent hunne bezittingen, hun landbouwkennis of kunstvaardigheid en hun goed gedrag naauvveurig onderzoeken en hun de vereischte paspoorten verstrekken moesten.

Meestal ging de reis over Weenen, waar destijds de kanselanjraad Graaf Eottenhan het oppertoezigt over de kolonisatie naar Gallicië had en waar hun bij wijze "van