is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zout wanneer het niet wordt tegengegaan, een gevaar kan vormen voor de welvaart, dat niet mag worden onderschat.

In het gebied der benedenrivieren is de strijd tusschen „het zout" en „het zoet" in vollen gang. Volgens vrijwel algemeen oordeel hebben wij hier in de laatste jaren terrein verloren; men meent op grond van algemeen bekende gegevens dat het water in de benedenrivieren — en daardoor ook in de laagste deelen der aangrenzende polders — vroeger zoeter was dan thans.

Aangaande ons hoofdtuinbouwgebied, het Westland, wordt bv. het volgende aangevoerd : Tot 1893 kon nog water uit den Waterweg door de Oranjesluis, slechts 5 km van de zee gelegen (zie fig. 2), worden binnengelaten, doch in genoemd jaar werd dit inlaten door Delfland wegens de te hooge zoutgehalten welke hier voorkwamen, verboden. In 1921 zag Delfland zich genoodzaakt wegens dezelfde oorzaak het binnenlaten bij Maassluis, 13 km van den mond, te verbieden, en in 1934 bleek zelfs geen voldoende zoet water door de Vijfsluizen, halfweg Schiedam—Vlaardingen en 21 km van den mond verwijderd, meer beschikbaar te zijn. De bouw van de Parkhavensluis, 28 km boven Hoek van Holland, bood toen gelegenheid tot het maken van een nieuwen inlaat, doch Delfland vraagt zich reeds thans weder af, of de inlaat nog verder rivier-op zal moeten worden gelegd. Echter is de bovengrens van Delfland reeds bereikt. In dat geval zou Delfland dus via Schieland uit den Hollandschen IJsel of via Rijnland uit den Ouden Rijn zoet water moeten betrekken. Dit zouden vrij gecompliceerde en ingrijpende maatregelen beteekenen.

Voor een critischen geest rijst de vraag of de oorzaak van het telkens teruggrijpen op minder brak water, zoo misschien niet geheel dan toch gedeeltelijk, gezocht moet worden in het langzamerhand wakker worden van de tuinders in het Westland voor de gevaren van het zout. Ook zou vermeerderde kwel uit zee door diepere bemaling of door drinkwateronttrekking aan de duinen de behoefte tot het inlaten van zoeter water hebben kunnen doen vermeerderen. Het was daarom noodig exacte meetcijfers te verzamelen en daaraan de door velen aanvaarde opvatting betreffende het zouter worden van het water in de benedenrivieren te toetsen.

Uit Voorne kwamen zeer ernstige klachten. In den drogen zomer van 1933 bleken de chloorgehalten van het slootwater er te liggen tusschen 231 en 426 mg/1; dit zijn dus nog niet bijzonder hooge bedragen. In den zomer van 1937 werden voor 42 monsters slootwater reeds aanzienlijk hoogere cijfers gevonden, nl. 95 % boven 300mg, 74 % boven 600 mg en 48 % boven 1200 mg Cl/1; in Juni 1938 kwamen nog hoogere gehalten voor. Het zoutgehalte in de slooten van Voorne schijnt dus onrustbarend snel toe te nemen.

§ 4. Beschikbare meetgegevens

De eerste op de benedenrivieren in voldoende hoeveelheden verzamelde meetcijfers werden omstreeks 1907, 1908 verkregen. De metingen geschiedden toen zoowel door den Rijkswaterstaat als door de Com-