is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halte onze grenzen passeerden. Dat dit gevaar inderdaad bestaat, zal hieronder aan de hand van vroegere en recente meetcijfers worden aangetoond.

Door de industrieën en de toenemende bevolking van het Roergebied en van andere in het Rijnbekken liggende centra (kali-mijnen in de Elzas — men leze hierover ook hetgeen de Commissie „Drinkwatervoorziening W.d.L. 1940" en de Drinkwaterleiding te Amsterdam daaromtrent publiceerden — is het chloorgehalte van het Rijnwater niet onbeteekenend. Volgens een door Dr. Ir. J. P. Mazure voor de jaren 1931 t/m 1935 samengestelde grafiek voor het Rijnwater bij Westervoort (zie verslag der bovengenoemde Commissie, IX, 15) wordt bij den gemiddelden stand te Westervoort een gemiddeld chloorgehalte van 60 mg/1 aangetroffen. Elders in het verslag van voornoemde Commissie wordt medegedeeld dat het chloorgehalte van het Rijnwater over de jaren 1928 t/m 1930 gemiddeld ca. 70 mg/1 bedroeg.

Hoewel dit op zichzelf nog geen verontrustende cijfers zijn, waren vroeger de gemiddelde chloorgehalten toch lager. Dit blijkt bv. uit de grafieken van fig. 1, welke het gemiddelde verband aangeven tusschen het chloorgehalte van het Rijnwater dat langs Rotterdam stroomde resp. in 1908 en in 1930 t/m 1934 en den waterstand te Lobit. In het jaar 1908 nam men te Rotterdam regelmatig twee malen per week des morgens om 10 h a iolj2 h (zie verslag Rijkswaarnemingen van Ramaer) een monster, zoodat telkens in een ander gedeelte van het getij werd gemeten. Dit doet echter niets ter zake daar in 1908 te Rotterdam nog geen sprake was van zout door zeeinvloed, zelfs niet bij lage standen te Lobit en hooge springtijen. De 105 chloorcijfers van 1908 werden opgenomen in het Verslag van de Commissie inzake de Watervoorziening van Delft.

De monsters uit de jaren 1930 t/m 1934, werden omstreeks LW genomen; zij zijn dus ook Rijnwater. Zoowel in 1908 als in 1930 t/m 1934 geschiedden de chloorgehaltebepalingen door titratie van oppervlaktewater. Eerst in 1935 begon men hier het chloorgehalte langs electrischen weg en op grootere diepte te bepalen (vandaar dat geen latere periode voor vergelijking met 1908 werd genomen).

In 1908 schreef de commissie voor Delft, dat het Cl-gehalte van het water der rivier voor Rotterdam in den regel 40 mg per liter bedroeg. Blijkens de door ons in fig. 1 geconstrueerde kromme was in 1908 het gemiddeld Cl-gehalte bij gemiddelden rivierstand te Lobit 47 mg, hetgeen dus, wanneer men bedenkt dat de afvoer bij gemiddelden rivierstand nog iets anders is dan de gemiddelde afvoer, met de mededeeling van de Commissie vrijwel overeenstemt!).

Voorts was het Cl-gehalte bij gemiddelden stand te Lobit in 1930

1) De gemiddelde stand te Lobit veranderde een weinig en wel als volgt: gemiddelde van 1901—1910: 11.09 m + N.A.P.

1911—1920: 11.26 m + „

1921—1930: 11.16 m + „