is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t/m 1934: 58 mg/1, zoodat bij deze standen sedert 1908 een stijging van 24 % heeft plaats gehad, d.i. gemiddeld 1 % per jaar.

Uit de grafieken van fig. 1 volgt verder dat het Cl-gehalte bij lage rivierstanden veel hooger is dan tijdens gemiddelde. Dit is alleszins verklaarbaar, daar het Roergebied, de Elzas en andere in het Rijnbekken liggende streken onafhankelijk van droge of natte tijden hun hoeveelheid Cl op de rivier brengen. Voor ons land is dit echter zeer bedenkelijk, daar juist de minimum Rijnafvoeren, dus de perioden met hoog chloorgehalte, door ons voor de waterinlating moeten worden gebruikt. Op grond van de metingen welke het geheele jaar 1908 beslaan en van de recente, moet men aannemen dat het chloorgehalte van het Rijnwater in de laatste 30 jaren bij geringe afvoeren nagenoeg verdubbeld is. Bij den stand van Lobit van 9 m + N.A.P. was in 1908 het gemiddelde gehalte 79 mg (zie fig. 1), terwijl dit in 1932 op 120 mg mag worden gesteld (toeneming 52 %). Bij den laagst bekenden stand (1927) te Lobit van 8.11 m + N.A.P. was het gemiddelde Cl-gehalte in 1908 naar schatting nomg, terwijl in 1932 naar schatting 250 mg gevonden zou zijn (toeneming 125 %). De lage standen van 1921 zullen in de toekomst volgens de waarschijnlijkheidswetten worden overtroffen, terwijl ook aangenomen mag worden dat de Cl-gehalten thans (1940) wegens toegenomen industrialisatie weder hooger zullen zijn dan in 1932. Van beteekenis is ook, dat het regime van den Rijn sinds omstreeks 1920 in zekere mate veranderd schijnt te zijn. Door de normalisatie van de rivier zelf en van zeer vele zijrivieren, beken en watergangen in den bovenloop, komt het water naar het schijnt meer plotseling tot afvoer dan vroeger, terwijl de minimumafvoeren daardoor geringer worden. Men heeft dus thans hoogere maxima en lagere minima zoodat afvoergrafieken thans iets wilder fluctuaties vertoonen dan omstreeks 1900—1920.

Het is duidelijk dat, indien blijkens § 2 als grens 300 mg chloor per liter moet worden aangehouden terwijl er in droge tijden slechts Rijnwater van 200 of 250 mg beschikbaar is, er in de polders slechts weinig kwel of lek van zeewater bij behoeft te komen om de genoemde grens van 300 mg te doen overschrijden.

Het zijn de extreme gevallen, de uitermate hooge zoowel als de uitermate lage Rijnstanden, die voor ons land van catastrofale beteekenis kunnen zijn. Het gevaar van de zeer hooge standen hebben wij ruimschoots leeren kennen, dat der zeer lage standen nog niet, doch men zal goed doen zich daartegen alvast te wapenen.

De Commissie „Drinkwatervoorziening W.d.L. 1940", die slechts de voorziening had te bestudeeren van betrekkelijk geringe hoeveelheden drinkwater en bovendien met jaargemiddelden werkte, drukt niettegenstaande dat haar bezorgdheid uit met betrekking tot het hooge chloorgehalte van het Rijnwater door te zeggen, dat „het blijkt, dat ons land voor de toekomstige drinkwatervoorziening in hooge mate afhankelijk is van het buitenland". In veel sterkere mate geldt dit voor onzen tuin- en landbouw in het lage westen des lands. Kon de genoemde commissie wijzen op tal van groote binnenlandsche mogelijk-