is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheepvaart kan er zich opnieuw ontwikkelen. Reeds varen tal van kustvaarders langs Utrecht, reeds komen er enkele te Zwolle aan. Ook de internationale handel gaat zich weer te Utrecht vestigen : men denke aan de tweemaal 's jaars gehouden Jaarbeurs, die ook door vreemdelingen steeds drukker wordt bezocht.

Zoo maken beide steden, evenals trouwens zoo vele andere, een groeiproces door dat vooral in de twintigste eeuw zich zoo snel voltrok dat daardoor tal van moeilijkheden, vooral wat de uitbreiding betreft buiten de gemeentegrenzen, zijn ontstaan. De rapporteur spreekt van spanningen en van een strijd om de ruimte, Welnu: om deze moeilijkheid beter te overzien, zich een duidelijker beeld van het meer of minder bewuste welvaartsstreven te kunnen vormen om daarna des te beter gewenschte maatregelen te kunnen nemen, zijn de genoemde rapporten na daartoe verstrekte opdrachten verschenen. In beide rapporten wordt over het algemeen, zij 't ook onder andere benamingen, vrijwel dezelfde werkwijze gevolgd. Na een historisch overzicht van de ontwikkeling der betrokken steden in den loop der eeuwen, waarbij vooral haar beteekenis en taak (functie) in de verschillende tijdperken worden belicht, volgt een hoofdstuk over de ruimtelijke en functioneele structuur der gemeente, in het Utrechtsche rapport kortweg „De Nieuwe Tijd" genoemd. Daarop volgt een demografische analyse waarbij de bevolkingsaanwas — te onderscheiden in een natuurlijken en een sociaal-economischen groei in verband met een natuurlijken en een sociaal-economischen opbouw — wordt nagegaan. In het Utrechtsche rapport volgt daarop een hoofdstuk „Wonen—werken—ontspannen", in het Zwolsche een overeenkomstig, maar onder den titel „Sociaal-economische structuur". In het Zwolsche rapport wordt veel uitvoeriger dan in het Utrechtsche over de industrie gesproken en zeer veel belangijks medegedeeld. Beschouwingen over den woningvoorraad en -aanbouw vallen in het Utrechtsche rapport uiteraard onder het genoemde hoofdstuk „Wonen—werken—enz.", in het Zwolsche onder dat der demografische structuur.

De vraagstukken zelf die zich voordoen toonen, gezien de geschetste overeenkomst in ligging en karakter, veel overeenstemming. In Utrecht zijn zij alle echter ingewikkelder, niet alleen omdat Utrecht zooveel grooter, zooveel uitgestrekter is, maar vooral ook omdat Utrecht door een negental randgemeenten wordt omringd, Zwolle door slechts één: Zwollerkerspel. De uitbreiding der steden over de omringende gemeenten doet van zelf allerlei vraagstukken ontstaan die hun uiteindelijke oplossing wel zullen moeten vinden in het opnemen der randgemeenten in de groote stad. Vooral om Utrecht kan men van streek-urbanisatie spreken. In beide rapporten wordt er op gewezen, zeer bepaaldelijk op aangedrongen, om bij de uitbreiding het alluviale, lager gelegen westen van Utrecht en van Zwolle als werkwijk, het diluviale hooger gelegen oosten als woonwijk in te richten. Nu men den waterstand