is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vindt men in de laagste deelen meren, zooals bv. in het Anakserkagebied van Beneden-Inderagiri en in Djambi 7). De strandruggen vormen in het moerasgebied strooken hoogen grond, zoogenaamde pematangs en talangs, die men in het Siaksche, het Pelalawansche en Inderagirische aantreft en waarlangs mensch en dier (o.a. de kudden nangwis, de gebaarde wilde zwijnen) zich door het onbegaanbare drassige payahterrein kunnen voortbewegen.

Dr. J. van Tuyn (Over een recente daling van den zeespiegel in Nederlandsch-Indië, dit Tijdschrift, 49, 1932, pag. 89) zegt van deze strandruggen: „Bij de geologische opname van Sumatra was ik in de gelegenheid in het Noorden der Lampongsche Districten ver landwaarts liggende strandwallen waar te nemen, wat op een terugtrekken der zee wijst, terwijl mij ook aan de andere zijde van Sumatra in Benkoelen uit de aanwezigheid van koraalriffen op den vasten wal bleek, dat daar een recente negatieve strandverschuiving heeft plaats gehad" en verder op pag. 91: „Bij de opname voor de Sumatrakaarteering werden door mij op de grens van heuvelland en moerassen, zandterrassen waargenomen op enkele meters boven zeeniveau

In het moerasgebied in het Noordelijk deel der Lampongsche Districten werden door mij oude strandwallen aangetroffen, die tot 10 meter boven zeeniveau liggen en thans niet op die hoogte ontstaan kunnen. Dat het gebied der Mesoedji-moerassen ingenomen wordt door marine afzettingen bleek uit de aanwezigheid van marine rnollusken en zeeappel-fragmenten, die in blauwgroene klei werden aangetroffen". (cursiveering van mij).

In zijn opstel over de Batoemanik van Oost-Palembang en het noordelijk deel van de Lampoengsche Districten (De Mijningenieur, I3> 1932) beschrijft Dr. Van Tuyn — in verband met de merkwaardige opgravingen en verwasschingen (palembangan) van oude kralen (batoe manik), die over heel Indië tot in Borneo en Timorkoepang worden verhandeld — nader de in het moeras gelegen strandwallen in Komering-hilir, in het Mesoedji-gebied en I oelangbawang, welke aanwijzingen opleveren dat de kustzoom zich daar in vroegere eeuwen moet hebben uitgestrekt. Boringen in de Mesoedji-moerassen, waarbij marine fossielen als zeeëgels, zeesterren, dentaliën en andere gastropoden werden aangetroffen, bewijzen dat de moerassen tot voor geologisch gesproken — korten tijd door de zee ingenomen werden en deze dus als breede armen het land binnendrong8), waarbij de noordelijkste talanggebieden een eilandenrijk vormden.

Kjökkenmöddings. Een argument voor een bodemverhef-

7) Ook in Palembang moet volgens de kaarten van Von Derfelden en Tindal zulk een meer, Loear of Itam genaamd, bestaan hebben aan den benedenloop van de Komering (kaart 6b) ; het vond door de Mesoedji zijn uitwatering in de Java Zee. Dit meer bestaat thans niet meer; door de bodemrijzing verdwenen?

8) Was het groote Loear- of Itam-meer op de kaarten van Von Derfelden en Tindal (kaart 6b) niet de overgang van zeearm naar moeras in dit Mesoedjigebied ?