is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denboek vermeldt: „spiker = uitbouw van een boerenwoning, vaak als woonkamer in gebruik (Oldambt)" (zie foto 9).

Dikwijls kan men verder een schöppe of +schöpke aantreffen (verg. het Duitsche Schuppe). Heel zelden vond men vroeger op een erve een +brospieker of brouwhuis. De schaapskooi (thans een zeldzaamheid!) heet schoapschöppe.

Wanneer het bestuur der boerderij aan de jonge generatie werd overgedragen, nam (zooals Mej. Elderink ons mededeelt) het oude echtpaar zijn intrek in de bovenkamer of soms in een nieuw huis op geringen afstand van het oude, „dat wegens zijn bestemming dan et lieftochtshoes werd geheeten en in later jaren vaak als w'ónnershoes bleef bestaan. Het draagt dan meestal den naam van het erve, evenals het oude huis, maar voorafgegaan door de toevoeging „lutke" of ook wel „ni-je".

Het schilderachtige van het Twentsche boerenerf wordt in niet geringe mate verhoogd door den groenbemosten put, die dikwijls geflankeerd wordt door den vorkvormigen + puttenpost, die de + puttenscheere of + puttengalg draagt. Aan de laatste hangt de + puttenzwengel of + puttenboom, waarmede de emmer wordt ondergedompeld.

Een aardig Twentsch raadsel zegt met betrekking tot de scheere en den zwengel: „doar sprung 'n heundeken in et grafgreundeken; woo deeper dat et sprung, woo hooger zien stertken de locht in gung" (zie ook voor andere raadsels betreffende onderdeelen van het boerenhuis: Elderink; voor Twentsche spreekwijzen, waarin verschillende onderdeelen worden genoemd: Schrijnen, deel 2).

Het is merkwaardig, dat de putten op den Balkan en in de oasen van den Sahara van precies dezelfde constructie zijn.

In landschappen waar het water erg diep in den grond zit, kent men den putgalg niet, maar benut men een langen ketting, die om een horizontale as wordt gewonden.

Meermalen bestaat de eigenlijke put uit blokken Bentheimer zandsteen; bij de ouderwetsche, waarvan misschien een enkele zich nog heeft weten te handhaven, wordt het ondergrondsche deel gevormd door met mos gevoegde keisteenen, terwijl de bovenbouw van planken is, welke planken in het vierkant rond de opening zijn aangebracht.

De erfbeplanting (fig. 12) bestaat vooral uit eeuwenoude eiken, waarvan vroeger dikwijls een mooi exemplaar door den boer werd uitverkoren om na zijn overlijden tot doodkist te worden verwerkt. Soms werden de planken al te voren gezaagd en in de hiêl geborgen. Het zagen geschiedde omstr. 1875 nog boven een + zoagkoêl(e) (hierbij >werd de boom op een soort schragen gelegd).

Voor de bovendeur naast den put behoort een taxus baccata, de ieben- of ievenboom die bij den boer in een bijzonder gunstigen reuk staat, hoewel hij vergiftig is.