is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwartszandgronden bestaan met, als zij onder bosch liggen, een grootere of kleinere hoeveelheid humus, is door ervaring zeer weinig bekend. Vele dezer gronden zullen, zoodra zij ontwoud zijn, snel hun humus verliezen, tenzij een cultuursysteem kon worden opgebouwd dat den humus in stand zou kunnen houden. Zoodra de humus verdwenen is zijn veel dezer gronden nietswaardige zandgronden, zooals de savannen. Een dergelijk, op humusbehoud gericht cultuursysteem is op deze gronden nooit beproefd, noch in de praktijk, noch in proeven. Of het kans van slagen heeft kan niemand, ook niet de beste kenner van Suriname voorspellen. Ik acht die kans op vele plaatsen gering. Deze gronden zullen meestal onbevloeibaar zijn, of alleen bevloeibaar tegen zeer hooge kosten, hetgeen de kans op slagen zeer vermindert. Bovendien ligt het grootste deel van deze gronden binnen de door Swellengrebel, op grond van malariagevaar, verboden strook.

Wel bestaat er akkerbouw op lichte gronden dichter bij de kust, nl, de Javaansche landbouw in de omgeving van Lelydorp. De lagere stukken zijn er tot sawah gemaakt en op de hoogere stukken wordt beplanting afgewisseld met eenige jaren struikgewas (wat men in Nederlandsch-Indië beloekar-ladangbouw noemt). De producties zijn er over het geheel laag. Het is vrij waarschijnlijk dat permanente landbouw op deze gronden goed mogelijk is, indien men zorgt voor voldoenden toevoer van humus en plantenvoedsel. Men zal dan akkerbouw moeten combineeren met veehouderij, groen- en kunstmest moeten toepassen, alle organische materiaal moeten composteeren en zorgen voor een goede vruchtwisseling. Een dergelijk intensief cultuursysteem kan echter alleen dan voldoende zeker zijn indien men den zeer onregelmatigen regenval kan aanvullen met bevloeiingswater.

De zand- en schelpritsen (rits is de Surinaamsche naam voor bank) in het kustgebied zouden, vooral indien zij omgeven zijn door pegassegrond, het eerst voor kolonisatie in aanmerking komen. Voor zoover bekend is zijn zij echter reeds intensief bewoond (b.v. Coronie), of liggen zij zoo diep naar binnen, dat goede afwatering onmogelijk is, zoodat zij onbruikbaar zijn. Wellicht is hier en daar nog een bruikbare rits maar deze zal dan zeer klein zijn. Ook zijn de ritsen meestal zeer smal, hetgeen zou leiden tot een ongunstigen vorm van kolonisatie, waarin alle bezwaren van verspreid wonen of ver transport zouden worden ondervonden.

Indien men alles wat bekend is nagaat, blijft voorloopig alleen een mogelijkheid voor kolonisatie op de beste lichte gronden in het kustgebied, die bevloeibaar zijn. Van deze gronden is waarschijnlijk nog een flinke oppervlakte beschikbaar indien snel genoeg gereserveerd kan worden. Deze gronden zouden een cultuursysteem mogelijk maken dat de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid biedt den humus te behouden. Bewijs hiervoor bestaat echter niet. De akkerbouw van de Javanen en van den heer Koch bij Lelydorp doet er het beste van hopen, vooral omdat deze gronden waarschijnlijk beter zouden zijn dan die bij Lelydorp.