is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormen opklimmende wijzen van gebruik, dat de menschelijke samenleving maakte van de in de natuur geboden mogelijkheden. Hij ziet als „laagste" vorm het „verzamelen" en de „jacht". Daarna volgden de „veetelende nomaden" met hun kudden als „voorraden", door welke gewichtige gedachte men inderdaad hier zou kunnen spreken van een „hoogeren" vorm, waarbij zich al snel een vluchtige „hakbouw" voegde, misschien met en door de „uitvinding" van den ploeg, die nog nauwelijks de oppervlakte scheurde om het graanzaad te ontvangen, dat men den volgenden zomer gerijpt hoopte terug te vinden als men wederkeerde van de betere weidegronden waarheen men getrokken was.

Uit dezen vorm van hakbouw, verbonden met veeteelt-nomadisme, zoude zich dan de hakbouw ontwikkeld hebben, waarbij de veeteelt op het tweede plan kwam. Dit leidde tot vervolmaking van het agrarische productieproces in de eigenlijke landbouwgebieden, tot den „hoogeren" vorm van landbouw.

Ratzel verbond hieraan de gedachte van steeds grootere capaciteit van de wijze waarop men de in de natuur geboden mogelijkheden ging gebruiken, zoodat met ieder dezer occupatievormen een zekere graad van dichtheid der bevolking in het woongebied gepaard ging.

Op den achtergrond van deze evolutiereeks-gedachte stond bij Ratzel de „beweging", al heeft hij nergens getracht haar hierdoor te verklaren. Hij zag de beweging veel meer geleid door de groote landschapsvormen, dan dat hij zich rekenschap gaf van de motorische krachten, welke tot de „beweging" leidden. Die motorische krachten kunnen gevonden worden in twee belangrijke feiten, die de menschen en hunne samenleving kenmerken.

Het eerste feit is van geestelijken aard. Het betreft de plaats die de mensch inneemt in de rij van de primaten. Die plaats is een zeer bijzondere omdat de mensch, toegerust met den menschelijken geest, daardoor in staat gesteld is scheppend en hèrvormend te werken ten aanzien van de natuur, waarmede hij in relatie is getreden. Ratzel heeft er terecht op gewezen, dat dit verschijnsel volkomen nieuw is op onze planeet. In zeer korten tijd, nauwelijks één duizendste van den tijd die noodig was voor de ontwikkeling van het organische leven op aarde, weet de menschelijke geest het planten- en dierenrijk te hervormen, welke hèrvorming leidt tot het volkomen in zijnen dienst stellen van beide rijken.

Het tweede feit betreft ook wel de plaats des menschen in de rij van de primaten, maar is meer van biologischen aard. Het menschelijke kind is bij de geboorte volkomen hulpeloos. Nagenoeg niets is dat kind aangeboren, het moet zoo goed als alles leeren. Daardoor wordt de mensch noodwendig van meet af aan opgenomen in een sociaal systeem. De kern van dit systeem is de verbondenheid moeder—kind.

Het zijn deze beide feiten die tengevolge hebben dat de mensch de in de natuur geboden mogelijkheden steeds op andere wijze zal hebben te aanvaarden bij toeneming van het aantal. Nemen wij inderdaad met Ratzel aan dat in den aanvang van eigen voortbrenging nog geen