is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drooggelegde laagveengronden. De geheele streek zal er mee gebaat zijn, indien ook kapitaalkrachtige en bedreven landbouwers van elders in de gelegenheid worden gesteld hier,het landbouwbedrijf uit te oefenen."

Het pleit voor de energie van enkele Gietersche boeren, dat zij een paar jaar later reeds in aanmerking konden komen voor de pacht van een achttal gemengde bedrijven van ca. 12 ha. Verder werd nog aan vier inwoners van hetzelfde dorp een bedrijfje in huurkoop uitgegeven onder toepassing van de Landarbeiderswet.

Hoewel de afdeeling Eigen Exploitatie van de N.V. haar areaal in Polderafdeeling IV door de uitgifte van grond aanmerkelijk zag inkrimpen, had ze op 1 Januari 1941, zooals op kaartje 2 is te zien, toch nog een behoorlijk complex in exploitatie. Dezen zomer bedroeg de oppervlakte in deze afdeeling nog slechts 36 ha.

Deze vermindering is mede een gevolg van de bemoeiing met de zaken van de N.V. door de Duitsche overheid, die hiertoe overging op verzoek van een groep ontevredenen. De eisch werd gesteld dat zij, die blijvend en in belangrijke mate door de ontginning in hun bedrijf waren geschaad, * compensatie moeten krijgen in uitgifte van grond. Mochten persoonlijke omstandigheden dit onmogelijk maken, dan kan een uitkeering in geld geschieden.

Een en ander heeft geleid tot de uitgifte van 240 ha als los land aan streekbewoners. Als aardappelland werd ca. 25 ha. verpacht aan 325 personen, het overige werd uitgegeven aan 100 boeren, waarvan 70 woonachtig in Giethoorn. Deze kregen 100 ha, dus over het algemeen kleine perceelen. In werkelijkheid is het aantal personen nog grooter. Bij persoonlijk onderzoek kwam vast te staan, dat soms een paar familieleden samen een perceel bebouwden, waarvan slechts één als pachter te boek stond.

Het land dat de Gietersche boeren hier toegewezen kregen ligt voor hen niet gunstig. De perceelen welke grenzen aan het vaarwater ten Westen van Polderafdeeling IV zijn te water bereikbaar. Voor de overige — de hoofdtocht is tegen den oorspronkelijken opzet in niet bevaarbaar — moet voor transport gebruik gemaakt worden van paard en wagen. Dat beteekent voor de Gietersche boeren altijd een overladen in of uit punter of bok.

Het is voor hen evenwel van gewicht, dat ze in de tegenwoordige omstandigheden hun bedrijf gemengd kunnen maken. In het gebied ten Oosten van het dorp ligt weinig land dat tot bouwland is te maken, tenzij men overgaat tot verlaging van het polderpeil al dan niet gepaard gaande met ontginning. In het gebied tusschen het kanaal Steenwijk—Giethoorn en het dorp, ook behoorend tot het bedrijf sgebied van de Gietersche boeren, liggen reeds perceelen bouwland en in de toekomst zal door particuliere ontginning, voornamelijk onder leiding van de Nederl. Heidemaatschappij de hoeveelheid bouwland hier aanmerkelijk worden uitgebreid. Uit alles blijkt, dat de Gietersche boeren zich met den landbouw vertrouwd maken.

In de werkverschaffing, waarin men overwegend werkloozen uit