is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergelijkbaar is. Weshalve wij Wurm's experimenten over cuesta's, tafelrompvlakten, structureele denudatiebases enz. van wat meer waarde achten, dan die over piedmonttrappen in gebieden van homogene samenstelling.

Daar de plaatsruimte beperkt is, volstaan wij met de vermelding van de experimenteele resultaten.

Ook in het laboratorium kon gedemonstreerd worden, hoe een schiervlakte van een „oudmassief" zich ongehinderd in een tafelrompvlakte voortzette (Wurm's fig. 10, pag. 12). Bij een volgende opheffingsfase werd de tafelrompvlakte (in den zin van Maull) zoodanig versneden, dat denudatieterrassen en cuesta's ontstonden.

Experiment 8 (pag. 70 e.v.) liet zien dat ook bij de aanwezigheid van vlak hellende ongelijke lagen schiervlaktentrappen kunnen ont¬

staan, die „hardere en „zachtere" lagen discordant snijden. Dat bij de volgende opheffingsfasen juist de hoogere niveau's het het zwaarst te verantwoorden hebben en daardoor gemakkelijk in structuurvormen getransformeerd worden, is eveneens niet onwaarschijnlijk. Opgemerkt kan echter worden, dat door het ontbreken van een bovengrondsche afwatering hoo¬

gere schiervlakkentrappen wel degelijk behouden kunnen blijven. Tevens doet zich de vraag voor, in hoeverre de steilwanden tusschen de onderscheidene niveau's in een mesozoïsch laagcomplex toch weer zullen afwijken van die in een palaeozoïsch massief. Dit raakt weer de kwestie of de verhoudingen hard-doorlatend en zacht-ondoorlatend in het experiment wel voldoende aanwezig waren?

Aardig is ook de experimenteele illustratie van den invloed, die een structureele erosiebasis op de niveauvorming in een naburig „kristallijn" massief kan hebben. Het is een gedachte van Spreitzer, dat als de verticale erosie in een weerstandskrachtige (en ondoorlatende) laag geremd wordt, dit niveauvormend op een in de onmiddellijke nabijheid liggend massief kan werken (zie onze fig. 6).

Ook hier geldt echter weer: Het moge soms experimenteel gelukken een landschapstype qualitatief eenigermate na te bootsen, beslissend voor het natuurobject is ten slotte of iets ook quantitatief realiseerbaar is. En door wijziging in de quantitatieve verhoudingen kan ook het qualitatieve geheel van karakter veranderen. N.A.G., LVIII. 62

Geteekend door W. F. Hermans

Fig. 6. Een piedmonttrap door plaatselijke structureele erosiebases. Wit = oud weerstandskrachtig massief. De gestreepte laag is hard, de gepunkteerde laag zacht. 1, 2 en 3 geven, behalve den kegel, waarmee het experiment werd begonnen, de resultaten weer naresp. 120, 180 en 274 uur besproeiing (volgens Wurm)