is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die bij den oorsprong haar minimum bereikt. Daarentegen kan de erosiecapaciteit bij den oorsprong verhoogd worden door het daar veelal steilere verhang: stortbeeken hebben zelfs bij gering debiet groote erosieve kracht. De studie van stortbeken heeft geleid tot ontdekking van het principe der terugschrijdende erosie en inderdaad kan bij voldoende steil reliëf zoo'n beek een waterscheiding doorknagen. Waarnemingen van Marinelli en Castigliano *) leidden tot het resultaat dat voor dalverlenging door dergelijke terugschrijdende erosie een verhang van i op 10 noodzakelijk is: om een waterscheiding van i km breed door te knagen moet de roover minstens 100 meter lager stroomen dan zijn slachtoffer. Aangezien bij vele zoogenaamde rivieronthoofdingen aan dezen eisch niet wordt voldaan, moeten we nagaan of er bij den oorsprong van minder steile beken geen speciale omstandigheden kunnen optreden, welke op een andere wijze de daar heerschende waterarmoede compenseeren en dus de erosie bevorderen.

Wij denken hier in de eerste plaats aan ondermijning van de laag boven het bronniveau (door wegspoeling van materiaal uit dit niveau) gevolgd door afkalving, waardoor de bron verplaatst kan worden. Slechts een krachtige bron kan zich aldus snel verplaatsen, maar die verplaatsing gaat gepaard met watervermindering, omdat de bron dichter bij de waterscheiding komt te liggen. Op deze manier kan een bron dus wel een waterscheiding benaderen, maar zij kan die niet bereiken omdat reeds op eenigen afstand van de waterscheiding niet meer voldoende grondwater kan uitsijpelen voor ondermijning van het oppervlakkige gesteente (of verweeringsgrond).

De laatste gevolgtrekking geldt natuurlijk alleen voor de (normale) waterscheidingen, waar slechts de ter plaatse vallende neerslag als waterleverancier kan optreden: haar waterarmoede verklaart haar betrekkelijke ongenaakbaarheid voor erosie. Het ligt dus voor de hand om de aantasting der waterscheidingen door denudatie, speciaal afspoeling, in plaats van door erosie te verklaren. Wel laat dit proces zich nog moeilijker quantitatief benaderen dan de erosie, waardoor het vinden van de juiste verklaring voor elk geval bemoeilijkt wordt, maar door vergelijkende studie kunnen de moeilijkheden dikwijls overwonnen worden. De uitwerking van de denudatie wordt immers bepaald door de factoren klimaat, aard van het gesteente en terreinhelling, bovendien door den factor tijd. Als we nu de uitwerking vergelijken in een reeks van gevallen, waar telkens drie van die factoren gelijk zijn en de vierde verschillend, kunnen we ons inzicht in deze verschijnselen zeer verdiepen; alleen op die manier kunnen we komen tot een quantitatief begrip van de maximaal en minimaal mogelijke snelheden dezer processen. Op het oogenblik verkeeren dergelijke studies nog in een beginstadium, zoodat we over de resultaten er van nog niet met vrucht kunnen discussieeren.

Wij kunnen echter wel nagaan hoe in verschillende gevallen boven-

i) Marinelli, O., Riv. Geogr. Ital., 1926. — Castiglioni, B., Zeitschr. f. Geomorph., 1935, Bnd VIII, pag. 224.