is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd dilemma opgelost moet worden. In gebieden met een cyclische ontwikkeling van het reliëf kunnen we doorgaans de volgende opeenvolging vaststellen: in den eersten cyclus vormt zich een schiervlakte, vervolgens wordt die door herlevende diepte-erosie versneden (begin van den tweeden cyclus) en zoodra dit het geval is wordt ook de denudatie althans plaatselijk versterkt. Deze denudatie grijpt aan op de nieuw gevormde dalwanden en werkt daar reliëfverminderend, maar tevens versmalt zij de waterscheidende ruggen en tast daar ten slotte ook op de waterscheidingslijn de schiervlakteresten aan. We zien dus in een later stadium de denudatie aan de dalwanden reliëfverminderend werken en tegelijkertijd reliëfvermeerderend op de tusschenliggende waterscheidingen (zie fig. i) ; dit verschil wordt in de leerboeken veronachtzaamd. Wil laatstgenoemd proces nu tot rivieronthaofdingen leiden, dan moeten er in de waterscheiding bressen (passen) uitgevreten worden, die lager liggen dan het aan te tappen rivierbed! Dikwijls zal de rivier, die van zoo'n bres gebruik maakt, het oude pas-niveau geheel wegvreten, waardoor we de situatie vóór de onthoofding moeilijk kunnen reconstrueeren. Toch is die reconstructie noodzakelijk voor een goed begrip der gebeurtenissen; zij is mogelijk door bovenvermelde vergelijkende methode, aangevuld door deductie. Als we ter verklaring eener aantapping een bres van bepaalde diepte in een rug noodig hebben, stellen we vast in hoeverre ruggen van dezelfde hoogte, breedte en samenstelling door denudatie en erosie aangetast zijn; slechts als dan verschillende bressen de vereischte diepte benaderen kan er sprake zijn van rivieronthoofding. Deze methode vindt haar rechtvaardiging in de algemeene werking der denudatie, die onder gelijke omstandigheden op verschillende plaatsen ongeveer gelijk resultaat moet bereiken. Slechts in zeldzame gevallen (waarover later) wisselen die omstandigheden plaatselijk zóó sterk, dat we kunnen aannemen dat juist de bres die we noodig hebben gevormd werd, terwijl elders de overeenkomstige ruggen niet of nauwelijks werden aangetast. Natuurlijk begunstigt diepe insnijding van het dal der van roof verdachte rivier de denudatie, maar dan ook aan al haar dalwanden en boven al haar bronnetjes of oorsprongskommen; wel kan hierdoor een bres van voldoende diepte gevormd worden, maar dan moeten er dus ook op andere plaatsen bressen ontstaan, die door haar minder gunstige ligging nog niet tot aantappingen hebben geleid. De reconstructie van de situatie ten tijde der (veronderstelde) aantapping is moeilijker naar mate dat tijdstip verder achter ons ligt, want terwijl de „kritieke" bres door erosie wordt uitgevreten, gaat de uitdieping van de andere bressen door denudatie verder, zoodat we ook voor hen door vergelijking en deductie de diepte tijdens het aantappingsstadium moeten benaderen.

Zooals reeds werd gezegd blijken onder de meeste omstandigheden waterscheidigen niet spoedig door denudatie te worden aangetast en vinden we dus ook weinig gevallen van „normale onthoofding", die trouwens begeleid moeten zijn door talrijke sporen van „mislukte aantappingspogingen" en van dreigende aantappingen. De klassieke