is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraagstukken aangaande den aard, den oorsprong enz. der zonde behandelt, te verklaren. Of gij bidt, of gij uwe zonde gevoelt, daarop komt het aan, niet op uwe kennis van theoriën over het gebed en van philosopheinen over de zonde. Alleen wanneer men zich orthodox of modern noemt, gaat die onverschilligheid niet meer aan. Dan dient men althans eenigen grond voor zijne zienswijze te hebben en deze te kunnen handhaven; dan mag men niet meer toegeven, dat tegenstanders even goed gelijk kunnen hebben, omdat men daarmede alle aanspraak verliest om eene bepaalde leuze te dragen. En behoort iemand tot eene richting, welke aan ineeningen over Jezus of wonderen, of over welke punten in geschil gij wilt, zedelijke beteekenis hecht, welke in eene bepaalde zienswijze daaromtrent iets godsdienstigs of geloovigs vindt, dan wordt alle onverschilligheid daaromtrent ergerlijk. Wie Christen is en prijs stelt op dit zijn christelijk geloof, op de verbreiding daarvan, op de handhaving der christelijke gemeente, die mag niet toegefelijk wezen evenmin jegens het ongeloof, in zijn eigen binnenste, d. i. de zonde, als jegens dat ongeloof rondom hem, d. i. de zondige wereld. Hij moet beide bestrijden. Hoe dit laatste te doen, dat is een tweede vraag. Hij kan een ander, die lacht om wat hij geloof noemt, waardeeren als groot musicus, uitstekend historicus, diepzinnig wijsgeer, enz., maar tot hem te zeggen: '/ik heb het geloof: acht gij u daarboven verheven, nu, wij kunnen beiden gelijk hebben!" — dat gaat in 't geheel niet aan.