is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elders n;uiwkeuiig geboekt is, /.ooveel mogelijk vermeden, ous daaiom de meer bekende personen en geschriften vluchtig, de minder bekende en door vorige geschiedschrijvers slechts karig bedeelde daarentegen, des te uitvoeriger geteekend en beschreven heeft; (1) al vreezen wij, dat zijne nauwkeurigheid hem soms tot het behandelen van personen en zaken verleidde, die zonder schade aan de vergetelheid prijs gegeven konden worden, de eer der vermelding bijna niet verdienden. Doch wat is in de geschiedenis, ook in die der letterkunde, klein en onbeduidend, vraagt ous de Schrijver zelf? En niet zonder eeuigen grond. Naast de Academiën worden door hem ook nog de Athensea te Deventer, 's Hertogenbosch en Amsterdam kortelijk besproken, die toen van zeer weinig beteekenis waren en niet in vergelijking met gene konden treden, terwijl met enkele wo.irden tevens het seminarium der Eemonstranten herdacht wordt, waaraan, althans vóór 1735, ook Doopsgezinden hunne opleiding ontvingen. Hiermede is de eerste schets der Academiën — want in het tweede deel treffen wij er weer eene aan, nu uit een later tijdperk der 18de eeuw — en die van den toestand van het hooger onderwijs voltooid, waarbij wij tevens

(*) Als proeve hiervan wijs ik op de breede schets ods van Corn. yan Velsen, Hoogleeraar te Groningen gegeven (Deel I bl. 91—101), over wien anderen tot nog toe het stilzwijgen bewaarden ; terwijl het betoog van Ds. Sepp over den vermoedelijken auteur van de Chrestomathia Petronia-Burmanniana, waaromtrent hij een nieuwe gissing voordraagt en hoogst waarschijnlijk maakt, ons een bewijs uit velen mag wezen, dat zijn arbeid iets meer en iets anders dan louter compilatie is.