is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uen en toestanden; want zoo voor één ding, dan verdient hij lof voor de onmiskenbare onpartijdigheid waarmede hij deze, zoowel als gene beoordeelt. Maat- dit is de bedoeling van den Schrijver niet. Hij uit zijn wensch naar lof in verband met de //kenmerkende belijdenis" waardoor zich ieder Kerkgenootschap van het andere onderscheidt, en die hij meent, dat ieder hunner moet bewaren en vasthouden, wil de Christelijke Kerk in stand blijven. Hij verlangt dus da!, men in de liefde tot de kenmerkende leerstukken die in zijn boek doorstralen zal — van eene zoodanige vastgestelde belijdenis is toch in onze broederschap geen sprake, gelijk in de andere Kerken, mij ten minste is zij niet bekend — hem als een Doopsgezinde herkent. Eu waaruit blijkt nu die liefde? Over het kenmerkende spreekt Ds. Shpp slechts weinig, en 't was ook niet noodig. Wel over den doop (Deel II bl. 278) (1), dien hij, niet als een aanhangsel, gelijk Stinstra deed, maar als deel van de Christologie of Soteriologie behandeld wil zien; meenende dat de doop op geloof — den naam bejaardendoop keurt hij zeer terecht af — eerst daar tot zijn recht komt, waar hij onmiddellijk met de opvatting der Christelijke waarheid, gelijk die door het Doopsgezind Kerkgenoot-

(1) Elders (Deel I bl. 237) zegt hij, dat ons Kerkgenootschap zeer vast aan één formulier hangt, zij het al niet een geschreven (is het dan nog een formulier?) n.1. aan de voorwaarde van het erkennen der Schriftmatigheid van den doop op belijdenis des geloofs; ons gevoelen omtrent den eed acht hij met Stinstra onverschillig. Is dit dan niet schriftmatig? En wie was beter Doopsgezinde, Stinstra , die alle formulieren bestreed en verwierp, of Sepp, die er een wil behouden ?