is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan al deze eischen voldoet vrijwel de Spartina Townsendiix) = slijkgras. Geen wonder dus dat bij iedere landaanwinning langs de kusten van Zeeland, Friesland en Groningen aan deze plant in steeds grootere mate aandacht wordt geschonken. De op het Noorderleegs Buitenveld met deze plant genomen proeven behooren tot de oudste en best opgezette in Nederland, zelfs van NW-Europa. Tot nu toe werd hieraan niet die aandacht geschonken, welke zij zoo zeer verdienen.

Behalve op het maken van bezinkvelden door middel van slootjes en greppels, was men op het Noorderleegs Buitenveld bedacht op de groote waarde van een plantenbestand bij de kweldervorming. De zich van ouds allereerst vestigende plant, de Salicornia herbacea, heeft echter slechts een ondiep wortelstelsel. Daar ze bovendien een éénjarige plant is, worden door de najaarsstormen de afgestorven planten gemakkelijk ontworteld, waardoor dikwijls grond wordt meegenomen. Een ideale plant is het dus voor dit doel allerminst.

Door den tegenwoordigen Hoofdingenieur-Directeur der Domeinen, Ir. A. G. Verhoeven werd in samenwerking met Dr. Lotsy de Spartina Townsendii in 1924 uit Engeland naar Zeeland overgebracht. Deze plant beantwoordt zeer goed aan het gestelde doel en werd met groot succes in het Sloe uitgeplant.

Ook voor het Noorderleegs Buitenveld liet men in 1925 een aantal dezer plantjes uit Poole (Engeland) komen. Deze werden bij groepen van 200 planten uitgepoot op het Zeekraalniveau in begreppeld slik. De plakken 3—5—7—, enz. werden aldus voorzien van Spartina kernen. Deze wijze van beplanting is zeer juist gebleken. De eerste twee jaren dreigde de uitpoot der 2000 uit Engeland verkregen planten geheel te mislukken. Na 3 jaar echter werd kiemkrachtig zaad door de kernen geleverd, terwijl de planten zich tevens door uitloopers vermeerderden. Op plak 3 werden bovendien zoowel bij den kadijk als bij de 400-metergrens 50 planten uitgezet, waarna het greppelen daar achterwege werd gelaten. Door het nalaten der begreppeling was de grond op plak 3 de eerste jaren zeer nat. Opmerkelijk was echter dat hier meer zaad tot ontwikeling kon komen dan op de begreppelde, dus droger liggende perceelen.

Bovendien kwamen de schapen op deze weeke gronden niet grazen, hetgeen de ontwikkeling der kiemplanten zeer ten goede kwam. Reeds in 1930 was het proefveld niet alleen dicht met Spartina T. begroeid, doch was het niveau boven de omringende begreppelde gebieden gekomen. Ten einde de schapen thans van dit proefveld te keeren werd het omrasterd (foto 4).

Tevens werden in 1925 een aantal Spartina plantjes 1000 meter uit den kadijk op het wad uitgepoot. De op dit zeer lage niveau geplante Spartina bleef in leven; zaadvorming vond nagenoeg niet plaats, wel verbreiding door uitloopers.

1) Voor -de Holl-andsche namen der in dit artikel voorkomende Latijnsche plantennamen moge verwezen worden naar de lijst aan het einde van deze bijdrage.