is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de waterstaatkundige toestand in eens veel verbeterd. Hooge waterstanden konden niet meer voorkomen en de afwatering was nu behoorlijk verzekerd op den binnenlandschen boezem, die hoe langer hoe meer de Schermerboezem werd genoemd.

Nog geen eeuw na de instelling van het Hoogheemraadschap van de U.S. begonnen nieuwe bezwaren te rijzen en het is een opmerkelijk feit, dat daardoor het lichaam geleidelijk van karakter is veranderd. Had dit Hoogheemraadschap zijn ontstaan te danken aan de vraag, hoe keeren wij het buitenwater, de vraag werd nu geleidelijk, hoe brengen wij het overtollige water zoo goed mogelijk naar buiten? Dat nieuwe vraagstuk werd klemmend, toen een aanvang werd gemaakt met het droogmaken van de meren, want hierdoor werd de Schermerboezem voortdurend verkleind, terwijl er steeds meer water op dezen verkleinden boezem werd uitgeslagen. Wel werden telkens aan de Bedijkers plichten en werken opgelegd door het Hoogheemraadschap van de U.S. om een regelmatigen afvoer van het overtollige water te verzekeren, maar afdoende was dat niet. Het is dan ook niet te verwonderen, dat het Hoogheemraadschap van nieuwe plannen tot droogmaking met schrik kennis nam en daarbij misschien wel wat al te eenzijdig de bedreigde waterstaatkundige belangen in het oog hield. Dat was b.v. het geval toen het vernam van voornemens tot droogmaking van het Schermermeer. Nu was er nog een andere groep van belanghebbenden, die ook niet welwillend konden staan tegenover nieuwe plannen tot landaanwinning. Dat waren de gebruikers van landen, die zoogenaamd met het buitenwater gemeen lagen en nu hunne landen steeds meer zagen onderloopen. Zulke landen waren b.v. die in de bannen van Graft en De Rijp ten Zuiden van den dijk van den Eilandspolder. Daarom wendde het Hoogheemraadschap van de U.S. zich den uen November 1630 tot Graft en De Rijp met

eene missive, waarin het heette: „ ende sonderlinge mede het

versoeck van octroy om de Schermer te bedijcken, twelck wy duchten dat wel in de tegenwoordige ofte aenstaende vergaderinge vande Heeren Staten zoude mogen geschieden" x). De Heeren „duchten dus en wilden nu overleg plegen met Graft en De Rijp. wat hiertegen gedaan moest worden. Ook af was het octrooi niet te keeren, dan moesten toch aan de Bedijkers van het Schermermeer de noodige verplichtingen worden opgelegd. Reeds den ióen November antwoordde De Rijp op deze missive als volgt: „aengaende t'derde poinckt van t'octroy vande Schermer, datte Gecommitteerde vanderijp Benevens de lede vande uitwaeterende sluijse sullen communiceeren ende handelen dat doude lande niet meerder werden belast als voor desen". De Rijp is dus bereid om met het Hoogheemraadschap mede te werken om erger te voorkomen. Het was nl. op een oogenblik, dat De Rijp nog niet dacht aan het aanvragen van een octrooi om zelf een plas droog te maken, nl. het Starnmeer, zooals het niet lang daarna zou doen.

1) Gemeentearchief De Rijp, Vroedschapsresolutiën.