is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^ich soms op den voorgrond plaatsten, maar verreweg de meesten hunner oefenden hoegenaamd geen gezag uit. We moeten de nieuw aan te stellen hoofden helpen aan het hun nog ontbrekende gezag."

Een Nota van Zendeling Bout (1917) over de PapoeSche hoofden, vermeldt: „De Radja's en hun aanhang zijn een geweldige stain-den-weg voor alle opvoedingsarbeid die men aan het door hen oveiheerschte Papoeavolk wil geven; het Papoesche hoofd beteekent voor de ontwikkeling van dorp en land niets", en de Adat-Nota over West-Nieuw-Guinea van 1928 deelt ten slotte nog mede: ,,Meestal bekommert men zich weinig om de hoofden en laat hen als ze lastig worden eenvoudig in den steek".

Bovenstaande bloemlezing geeft duidelijk aan hoe weinig het begrip „gezag" in Nieuw-Guinea tot ontwikkeling is gekomen. Met den invloed van het Zelfbestuur van Tidore is het zelfs zóó gesteld, dat géén der beschrijvers het de moeite van vermelding heeft waard gevonden. Resident Haga zegt daarover in zijn Nota van 1935: „Het Zelfbestuur van Tidore is een fictie, waarvan het maken tot werkelijkheid onmogelijk en onwenschelijk is, aangezien dat Zelfbestuur in het geheel niet rust in het rechtsbewustzijn der bevolking".

Is het wonder dat onder deze omstandigheden tot nog toe weinig van daadwerkelijk bestuur is terechtgekomen, behalve dan ten aanzien van de openbare .veiligheid welke wij hebben gebracht ?

De geaardheid der bevolking om geen gezag te erkennen komt het duidelijkst aan het licht in de eigen Inheemsche sfeer. Niet alleen dat de dorpshoofden geen gezag hebben, maar zelfs de simpele samenwoning van een groot aantal gezinnen bij elkaar blijkt voor het sociale gevoel van den Papoea al te veel gevergd. Het is een voortdurende splitsing en scheuring van. dorpen, welke — indien daartegen niet politioneel werd opgetreden — er toe zou leiden dat binnen zeer afzienbaren tijd geen dorp meer zou bestaan. Het gemiddelde zielental in de 115 dorpen der 7 Radjaschappen van West-Nieuw-Guinea, bedraagt slechts 88; en zulks nog dank zij het feit dat de „hoofdplaatsen" Fakfak en Kokas daaronder begrepen zijn!

Men kan vragen waarom wij aan deze anarchische bevolking een orde willen opleggen, welke zij niet wenschen, maar men vergeet dan dat onze Nederlandsche orde een gewaarborgde veiligheid van persoon en goed heeft gebracht, waar te voren stamoorlogen heerschten en roof en moord aan de orde van den dag waren. Overigens is het hier niet de plaats om in te gaan op de vraag of onze bestuurspolitiek aan de Papoea's iets beters geeft dan wat wij hun ontnemen. Ik moge daarvoor verwijzen naar de publicaties van de Nederlandsche Commissie voor Internationale Natuurbescherming.

Gedurende vele jaren zijn wij op Nieuw-Guinea al bezig met concentratie der kleinste dorpen tot kampongs van behoorlijker omvang, want het zal duidelijk zijn dat van bestuursmaatregelen in het belang van de volksgezondheid, volksonderwijs, enz. niet veel terecht kan komen, indien slechts dorpen bestaan van niet meer dan