is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klassieke schrijvers doorgegeven geografische geleerdheid onder invloed van de souvereine kerkleer en -haar ideologie; de geleerde schrijvers van geografische verhandelingen zooals Isidorus van Sevilla, de Ier Dicuil, de Engelschman Beda en anderen waren geestelijken, werkend in hun monnikskloosters. Het verschil is evenwel, dat de middeleeuwsch-Christelijke beoefening der aardrijkskunde in de haar gewijde zwaarwichtige uiteenzettingen al heel weinig nieuws heeft opgeleverd, terwijl zich in de Mohammedaansche litteratuur een door frisch leven bekorend beeld van een nieuwe wereld ontrolt. Een algemeene verklaring van dat. verschil ligt in de omstandigheid, dat de Mohammedaansche beschaving omstreeks 900 veel jonger en dynamischer was dan de Christelijke; zij kwam juist te voorschijn uit een vérgaand receptief stadium, dat haar rijk geestelijk bezit uit het Oosten (Perzië en Indië) en uit het Westen (de Griek sche wereld) had aangebracht. Wat de geografische kennis betreft zullen wij dit aanstonds uitvoeriger aantoonen. En in de tweede plaats waren de schrijvers der geografische werken geen wereldverzakende monniken, maar min of meer geleerde mannen, die in groote deelen van de Mohammedaansche wereld hadden rondgereisd en practischen zin paarden aan verlangen tot vermeerdering van kennis bij zich zeiven en anderen. Een geheel ander type van menschen dus dan de middeleeuwsche monniken en eerder te vergelijken met de wetensdorstige figuren uit het Renaissance-tijdperk.

Nu zijn wij over de persoonlijkheid en het leven van de meeste schrijvers over geografie niet anders ingelicht dan door de weinige aanduidingen in hun werken zelf. Dit bewijst, dat zij noch in hun eigen tijd noch daarna zeer beroemde mannen waren. Maar wel behoorden zij in ruimeren zin tot den geleerden-stand, in zoover dat zij goed thuis waren in de religieuze geleerdheid van den Islam. Dit ■ verklaart ook de boven alreeds besproken typisch Mohammedaansche geesteshouding. Doch de Moslimsche geleerden-klasse was lang niet zoo van de wereld vervreemd als de Christelijke monniken; haar leden waren gewoon veel te reizen. Reeds de godsdienstplicht van den Hadjdj of Bedevaart naar Mekka bracht menigeen er toe van de vele reisgelegenheden met grootere of kleinere karavanen gebruik te maken; een ander sterk motief om op reis te gaan was het zg. „zoeken naar wetenschap", waaronder vooral werd verstaan het zich begeven tot bekende groote geleerden, die authentieke tradities bezaten omtrent de uitspraken en gedragingen van den Profeet, om op naam van hen zulke tradities verder over te leveren. Maar ook andere, minder eng opgevatte „wetenschap" werd op deze wijze door de geheele Mohammedaansche wereld verbreid. De reizende geleerden, of misschien doen wij beter te spreken van „intellectueelen", waren ook zelf groote boekenlezers en hadden door hun positie toegang tot de soms omvangrijke bibliotheken, welke vorsten en aanzienlijke personen in eigen bezit hadden bijeengebracht of ten algemeenen nutte gesticht. Zoo waren ook de geografisch geïnteresseerden in staat kennis te nemen van de handschrifen van voorgangers op