is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halve een beweerde harmonie met andere opwelvingen, alleen de hydrografie aangehaald, die met Homme, Ourthe, Amblève, Hoïgne en Boven-Vesder als „consequent" wordt gekenschetst. Consequent ten opzichte van welke oppervlakte of grootplooi? Men kan slechts aan een stroomen langs de lengteas der surélévation denken, zooals Ste vens ook aan het voorbeeld van het plateau van Anderlues demonstreert.

Ook verder blijft hij ten opzichte van de „surélévation de 1'Eifel" eenigszins onduidelijk; anders kon hij niet beweren, dat de richting der Lesse den invloed van deze surélévation zou vertoonen (pag. 333). Zijn opvatting wordt ook niet duidelijker door de korte beschrijving van het land van Herve (pag. 327 el} 335)- .

Dit wordt gekenschetst als het meest oostelijk gelegen van drie, boven het 300 m-niveau uitstekende voorposten van het (verbogen) Ardennen-plateau, het plateau van Philippeville, de Condroz en het land van Herve. Het is van de Ardennen afgescheiden door het Vesder-dal, dat volgens Stevens uit drie, tectonisch beïnvloede deelen bestaat! het eerste, dalopwaarts van Eupen en consequent ten opzichte van de „surélévation de 1'Eifel", een tweede in Variscische richting van Eupen tot Pepinster, en het derde, dat van daar tot de monding onder invloed staat van de „anticlinaal van Fraipont . Het laatste moet zeer globaal bedoeld zijn, want de anticlinaal moest integendeel juist door de rivier gemeden zijn, daar het, zooals hij uitdrukkelijk zegt, toch hierbij gaat om eene posthume tectomek.

Het plateau van Herve, met zijn krijtlagen boven op het geplooide Carboon, lijkt evenals het Krijtplateau van zuidelijk Westfalen met een echten (zuidelijken) cuestarand te beginnen, waarbij de Vesder de rol vervult van de Möhne; de korte zinsnede van Stevens, dat de noordelijke, sterk versneden afhelling van het Herve-plateau aan een cuesta doet denken, is dan ook niet zonder meer te begrijpen Het plateau van Herve schijnt trouwens morfologisch nog met in detail

onderzocht te zijn.

Wat het gebied ten Zuiden van de Ardennen betreft JNeder Luxembourg, in den regel Belgisch-Lotharingen genoemd — zoo stelt dit zooals bekend is een cuesta-landschap voor. Stevens teekent vier cuesta's nl.: i°. de Sinémurien-cuesta (= cuesta van het Luxerr burgisch zandsteen) ; 2°. de Virtonien-cuesta, die in het Groothertogdom niet ontwikkeld is, maar westelijk er van zelfs den hoogsten top, den Hirschberg (466 m), van het geheele cuesta-landschap bevat, 3°. de Charmouthien- (of Spinatus-)cuesta en 40. de Bajocien-cuesta. Uitgaande van de Sinémurien-cuesta wijdt Stevens uitvoerige beschouwingen aan de vraag, of de jurassische transgressie nog een belangrijk, nu afgedekt gedeelte van het Ardennen-plateau bedekt had. Hij meent dat ter verklaring der morfologische verschijnselen deze onderstelling niet noodig is: de noordelijke zijriviertjes van Semois. en Rulles zijn consequent ten opzichte van de opgewelfde Ardennenschiervlakte en vermoedelijk op een tertiaire bedekking ontstaan; zij zijn „epigenetisch" (surimposé). Den invloed van de late, en sterke: