is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot doctor in de aard- en delfstofkunde promoveerde op een proefschrift, getiteld „De Geologie van het eiland St. Eustatius" en die geëindigd werd met een bijdrage over de eilanden Saba, St. Eustatius en St. Maarten in het gedenkboek voor Prof. K. Martin bij diens tachtigsten verjaardag in 1931, is op geologische vraagstukken gericht geweest, maar daarnaast heeft hij veel werk gedaan dat een geografischen inslag had, als hoedanig zijn onderzoek in CentraalBorneo (Geologische Verkenningstochten in Centraal-Borneo, 1900) en zijn bijdragen aan het door ons Genootschap uitgegeven werk over de zeeën van Nederlandsch Oost-Indië moeten worden genoemd.

Het is hier niet de plaats om een overzicht te geven van Molengraaf f's wetenschappelijke werk. Wij willen slechts op twee aspecten wijzen. Allereerst op de groote veelzijdigheid van zijn arbeid. Dit geldt zoowel met betrekking tot de zeer verschillende landen, waar en waarover hij gewerkt heeft (Nederlandsche West-Indische eilanden, Zuid-Afrika, Borneo, Timor, Noord-Celebes, NederlandschIndië als geheel, Nederland) als ten aanzien van de vraagstukken tot welker oplossing hij belangrijke bijdragen heeft geleverd (Regionaal geologisch onderzoek, Petrologie, Permocarbonische ijstijd, Palaeogeografische vraagstukken, Karakter van diepzeeafzettingen, Tectoniek, Koraaleilanden, Geologie van nuttige delfstoffen). In de tweede plaats willen wij er op wijzen dat Molengraaff steeds de gave heeft gehad zijn problemen helder te zien en ze duidelijk te kunnen formuleeren, wat hem zeker in menig geval de oplossing er van vergemakkelijkt heeft. De klaarheid van geest die uit dit vermogen spreekt, manifesteerde zich ook in zijn voordrachten en in zijn academisch onderwijs dat van groote suggestiviteit is geweest. Molengraaff gaf zich bij zijn voordrachten de uiterste moeite om aan zijn auditorium een zuiver en scherp beeld te geven van de vraagstukken waar hij over sprak en kon er dan ook steeds zeker van zijn, dat iedere toehoorder met hem meeleefde als hij na de expositie van een probleem de oplossing gaf die hem juist leek.

De relaties tusschen Molengraaff en ons Genootschap zijn veelvuldig en langdurig geweest. Hij deed het veldwerk voor zijn dissertatie op een wetenschappelijke expeditie van Leidsche geleerden, die door ons Genootschap gesteund werd. Als jonge man werd hij, toen hij in Pretoria woonde, in 1898 tot correspondeerend lid van ons Genootschap benoemd. De onderzoekingsreis naar Timor die hij in 1910-1911 met zijne beide leerlingen H. A. Brouwer en F. A. H. Weckherlin de Marez Oyens deed, werd door ons Genootschap gesteund. In 1913 werd hij lid van het algemeen bestuur en is nadien herhaaldelijk als lid van dat bestuur herkozen. Van 1908 tot 1931 is Molengraaff lid der redactiecommissie van ons tijdschrift geweest en van 1926 tot 1931 was hij voorzitter dezer commissie. In 1923, toen ons Genootschap bij gelegenheid van zijn vijftigjarig bestaan het schoone boek over ,,De Zeeën van Nederlandsch Oost-Indië' uitgaf, schreef Molengraaff hiervoor het belangrijke hoofdstuk over de geologie van die zeeën. In hetzelfde jaar werd hij tot eerelid van