is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zie kaart 2), dan wel als overgeërfde „oorspronkelijke" beken (welke „voorzichtige" interpretatie in kaart 1 is afgebeeld).

Wij keeren nu terug tot de afleidingen in het Chalaux-gebied.

A 40: de boven schol 1 oprijzende schol 3 damde het door A 36 onthoofde beekje af; deze afdamming is wellicht pas in F2 voltrokken. In ieder geval bewijst het geringe (tegenwoordige) hoogteverschil tusschen de daltorsohoogte (iets lager dan 482 m) en het overstroomde C-niveau (469 m), dat vrijwel het geheele tectonische hoogteverschil tusschen de beide schollen in één fase tot stand kwam.

Uitsluitend op grond van beschouwing der stafkaarten heb ik nog drie afleidingen direct ten O van de Chalaux op schol 3 aangegeven. Wegens haar zeer hypothetisch karakter krijgen ze geen nummer. Ik betwijfel sterk of ze door de geringe kanteling van schol 3 verklaard zouden kunnen worden.

Op de oostelijke deelen der schollen 3 en 8 zijn enkele afleidingen voltrokken, waardoor de Cure ten koste van de Chalaux belangrijk is verrijkt. Deze ontwikkelingsgang weerspiegelt zich misschien nog in de tegenwoordige lengteprofielen dezer beken: de Chalaux heeft een minder steil verhang dan de Cure, niettegenstaande haar debiet veel kleiner is. Men zou geneigd kunnen zijn dit verschil te verklaren door „retardatie": de Cure zou zich nog niet geheel op haar vergroote debiet hebben ingesteld. Daar de afleidingen zoo lang geleden voltrokken zijn (vrijwel zeker in Fx) lijkt deze verklaring mij niet toepasselijk. Het oorzakelijk verband is m.i. als volgt: de Chalaux stroomt in een breede strook E-terrassen, terwijl langs de Cure op vele plaatsen de hooger liggende schiervlakte C direct boven de jonge dalwanden ligt; deze dalwanden zijn dus hooger dan die der Chalaux en ze leveren derhalve meer puin, dat hoogere eischen aan het transportvermogen der beek stelt. De hoofdoorzaak van het merkwaardige verschil in verhang is echter in de verschillende oprijzing der stroomgebieden zelf te zoeken (index 47—58, resp. 44—51): om eenzelfde verhang te bereiken als de Chalaux zou de Cure zich veel dieper moeten insnijden, maar vóór ze daar geheel mee klaar was waren haar dalwanden al zóó hoog geworden, dat de door hen geleverde puinmassa s in de beek de geheele beschikbare energie van het stroomende water voor haar transport opeischten, zoodat de diepte-erosie tot stilstand kwam.

A 41: tectonische afdamming van een kleine beek door de boven schol 3 oprijzende noordpunt van schol 8. Merkwaardigerwijze vormden zich hier twee „overlaten", nl. naar het O langs 537 (met omkeering van de „oorspronkelijke" stroomrichting) en naar het ZO langs 523. Ik weet hiervoor maar eén verklaring, die vrij gecompliceerd is: Eerst vormde zich een overlaat langs 523, vervolgens werd deze secundair afgedamd door het door den nieuwen breuktrap geleverde puin, waardoor zich langs 537 een nieuwe overlaat vormde (A 42); tenslotte werd de uit los puin bestaande secundaire dam door terugschrijdende erosie weer doorbroken, waardoor de langs 523 stroomen-