is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeggen hun niets omtrent den tijd, waarop men met de akkers beginnen moet. De tijd daarvoor wordt aangegeven door de uitgeloopen kuit, doeang (Bar. doe'o). Elk jaar namelijk zwemmen ontelbare kleine vischjes de rivieren op; de scholen van de uitgeloopen kuit zijn zoo groot en dicht, dat het water er soms een grijze kleur van aanneemt. Deze vischjes worden met netten uit het water geschept, gedroogd en gerookt. Wanneer dit is afgeloopen, weet men dat de tijd gekomen is om de akkers in orde te maken.

Ook de To Seko gaan niet op den stand der sterren af. Men beweert de sterren bij name te kennen. Bij mijn bezoek aan dit land in 1919 trof ik iemand aan die Venus Takiloe, het Zevengesternte Pekeke, den Gordel van Orion Hoelo „fakkel", en Sirius Roengkoe roeroek noemde. Men vertelde mij dat men voor het bepalen van den tijd om met het akkerwerk te beginnen alleen wacht tot het geruimen tijd achtereen droog is geweest. Als men dan vermoedt dat de regens spoedig door zullen komen, begint men met het omwerken der sawahs. Deze willekeurige tijdsbepaling heeft tot gevolg dat de stand van het akkerwerk van de dorpen onderling niet alleen aanmerkelijk verschilt, maar dat ook de akkers van hetzelfde dorp in allerlei stadia van ontwikkeling verkeeren. Bij mijn eerste bezoek was men in Lodang al drie maanden klaar met oogsten, terwijl in Wono de rijst pas was binnengehaald. Bij een ander bezoek merkte ik tijdens een wandeling door de sawahs op, dat men op het eene veld druk bezig was met het snijden van de rijpe aren, terwijl ik niet ver daar vandaan een zaaibed aantrof waarvan de zaailingen na een paar dagen zouden worden overgeplant. Hierdoor komt het dat de rijstvogels zich het heele jaar door aan het gewas te goed doen, en de menschen een groot deel van den oogst aan deze diertjes moeten afstaan.

84. Begin van het akkerwerk

Als nakomelingen van To Rongkong zullen de To Lemo aanvankelijk alleen aan sawahbouw hebben gedaan; maar onder invloed van de To Mangki wijden zij zich tegenwoordig ook voor een deel aan de rijstcultuur op drogen grond. Het zijn de ladangs die het eerst in orde worden gemaakt. Wanneer de pongarong den juisten tijd daarvoor gekomen acht, omdat het sterrenbeeld Borong-borong in het verlengde van den opgerichten staak staat, gaan hij en de siadja met een aantal dorpelingen naar het stuk boschgrond waar de pongarong zijn akker zal aanleggen. Hier begint men het struikgewas en het kleinhout te kappen (toemaba). Men luistert bij dit werk naar gunstig voorspellende vogelgeluiden. Hoort men deze reeds den eersten dag, dan kan men verder doorwerken zonder op eenig teeken meer te letten. Neemt men de gewenschte kreten niet op den eersten dag waar, dan legt men het oor op den tweeden te luisteren, en zoo noodig ook op den derden dag. De overige dorpelingen kunnen dan hun droge velden in orde maken zonder zich aan vogelgeluiden te storen.

Wat hier gezegd is omtrent het waarnemen van vogelkreten geldt