is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kappen op den voor dezen bestemden grond. Na afloop van deze drie dagen tijgen alle dorpelingen aan den arbeid om het struikgewas neer te slaan (toema'ba) zonder op teekenen te letten.

Het beginnen van den akkerbouw heeft in Seko ongeveer hetzelfde verloop als in Demo en het Galoempangsche. De tobara' heeft hier de leiding van de werkzaamheden en plechtigheden. Wanneer hij den tijd er voor gekomen acht, roept hij de dorpsgenooten bij elkaar. Een varken wordt in het dorp geslacht, van welks lever op een offerstaak (takala ) aan de goden wordt gegeven. Ook hier roept de tobara' alle geesten aan: die van het dorp (dehata i lipoe), die van de verlaten dorpen (dehata i pangkekean), die van den hemel (d.i. aho langi'), die van de aarde (d.i. hoi), de voorouders, enz.. Den volgenden dag hakt men gezamenlijk het pad naar den boschgrond die zal worden ontgonnen, of men gaat de waterleiding (kinali) en de dijkjes (kahatang) in orde maken. Te Wono heeft deze plechtigheid plaats bij den steen die midden in het dorp staat.

Na deze plechtigheid gaat men een klein stuk van den uitgekozen boschgrond ontginnen, en wordt gedurende drie dagen op de reeds genoemde teekenen gelet. Wanneer de gewenschte geluiden van de vogels vernomen zijn, wordt een offerstok in den grond geplant, een dor boomblad wordt er op gelegd, en daarop biedt men den geesten wat van de rijst aan die men van huis heeft meegenomen voor eigen teerkost. Terwijl men met deze eerste werkzaamheden bezig is, wordt een zang gezongen door mannen, vrouwen en kinderen. Dit heet mehoke; hiernaar wordt ook het uitvoeren van de eerste akkerwerkzaamheden mehoke genoemd. In dezen zang wordt aan de goden een overvloedigen oogst gevraagd.

Zooals gezegd is behoeft men na afloop van de eerste drie dagen geen acht meer te geven op teekenen en vogelgeluiden. Maar terwijl men aan het ontginnen van den boschgrond bezig is, kunnen zich dingen voordoen waaruit de menschen een en ander meenen te kunnen opmaken omtrent de uitkomst van het akkerwerk. Men kan een levende slang of muis op het akkerterrein verrassen. Dit wordt overal als een gunstig teeken aangemerkt: men zegt dat zooiets wijst op „het binden van rijstbossen, en op het touw aan den neusring van buffers , m.a.w. dat men veel rijst zal oogsten, waarmee buffels kunnen worden gekocht. Wanneer de slang en de muis zich, nadat ze verrast zijn, de berghelling af spoeden, is het gunstiger dan wanneer ze die opgaan. Vindt men echter een doode slang of muis op den boschgrond, dan heeft men niet veel goeds te wachten. Verrast men een boschhoen, dan moet men het dooden en ter plaatse toebereiden en opeten, om veel rijst van dat veld te oogsten.

Het kan ook gebeuren, dat men op zijn land een liaan aantreft, die in een lus is gegroeid. Dit heet in het Gal. koendali (in Sa'dan is koendali een touw van rotan gedraaid), of simbaloe'. Dit is een ongunstig teeken, dat den dood van een der deelhebbers van dit akkercomplex voorspelt. Als men nog niet al te ver met het ontginningswerk gevorderd is, zal men een ander terrein voor zijn akker