is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooraf, die plaats heeft op het veld van den akkerleider. In Beroppa (Demo) heeft het offeren aan den vooravond van het planten plaats. Dan wordt een hoen geslacht, waarvan de lever met wat rijst op een offerstok (takala') wordt gelegd. Hierbij wordt de rijstgeest, Batara „heer", aangenoepen. Hem wordt gevraagd van het aangebodene te komen eten, en het gewas voorspoedig te doen groeien; dit heet panggioe' pare „bijeenverzamelen van de rijst". De heele plechtigheid draagt den naam van ma'kampa „waken". Aan den morgen van het planten wordt de karara „bebloeding" gemaakt: een korfje met zaairijst wordt op een stelling geplaatst waaraan katoenen stoffen zijn opgehangen (deze dragen den naam van pa'base „afwassching" en worden na afloop van de plechtigheid weer door den eigenaar opgeborgen). De manden en zakken met zaairijst worden om deze stelling heen gezet. Nu worden weer een varken en een hoen geslacht, en van het bloed wordt op de zaairijst gedruppeld. Daarna draagt de pongarong het planten van de eerste rijst op aan een man en een vrouw: de eerste maakt de pootgaten {manga'sak) met den pootstok (asak), de tweede stort het zaad in de gaten {mamboeboe'). Daartoe loopen ze snel driemaal om de karara heen, al stekende en zaad stortende. Na deze inleidende handeling worden in het heele veld door de aanwezige mannen gaten gestoken, terwijl de vrouwen achter hen aan loopen en zaad in de gaten storten. De vrouw van den pongarong deelt het zaad uit aan de plantsters. Zij mag dien dag niet baden. Het overschot van de zaairijst van den pongarong wordt onder de leden van de akkergemeenschap verdeeld. Deze rijst vermengen zij met hun eigen zaairijst. Op de volgende dagen wordt de rijst op de velden van de overige menschen geplant; daarbij worden geen offerplechtigheden gehouden, maar degeen die er een varken voor over heeft, kan het boven beschreven ma'kampa voor zijn eigen akker herhalen.

Zooals gezegd is geschiedt het planten van de rijst bij de To Mangki op gelijke wijze: op den morgen van den plantdag worden een varken, een hond en een hoen geslacht. Deze plechtigheid heet mamboeboe', dat zoowel het maken van pootgaten als het storten van het zaad daarin kan beteekenen. Het bloed van varken en hoen wordt op de zaairijst gesprenkeld, die in een bepaald soort mand {token), bij een offerstok is geplaatst. Daar niet alle zaairijst in de token kan, staat de overige in manden en zakjes er omheen. Drie kringen van pootgaten worden om deze plek gemaakt, die te Baoe dapo' „haard", in Tambing-tambing pa'pa'raroekan „de plek waar de offers gebracht worden", in het dorp Galoempang pa'pasarea mbane „waar men de zaairijst tegenaan laat leunen" wordt genoemd. Bij den offerstok is een staak opgericht, waaraan een met kralen versierde sirihtasch {sapoe) is gehangen; wordt er bij deze gelegenheid een buffel geslacht, dan worden oude kostbare doeken {mawa) aan een rek daarbij opgehangen. Alle mogelijke geesten van bergen uit de omgeving, dewata Sandapan, d. Malimongan, d. Takialo, d. Silapoeti enz. worden daarbij aangeroepen. De vrouw die de zaairijst verdeelt, mag niet