is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer merkwaardig. De theorieën over de primitieve mentaliteit hebben zich immers tot dusver juist bijna uitsluitend met collectieve verschijnselen als riten, gewoonten en mythen bezig gehouden en terecht is door verschillende ethnologen bezwaar gemaakt tegen een methode, die meent het individueele te kunnen verwaarloozen. Nu deelt de schrijver mede, dat hij, teneinde zijn onderwerp zoo dicht mogelijk te beladeren, zich niet door reeds bestaande theorieën heeft willen latén beinvloeden. Hoewel deze werkwijze het hem gemakkelijk heeft gemaakt om tot een eenzijdige waardeering voor zijn eigen standpunt te komen, leidt de bewuste afwezigheid van ethnologische kennis in dit geschrift hier toch tot een onjuiste opvatting.

Wanneer gesproken wordt over de empirische factoren in de magie, dan kan daarbij eenerzijds, zooals dit bij dr. Schneider het geval is, worden gedacht aan de factoren, die tot het ontstaan der magische voorstellingen bijdragen. Het genetisch standpunt staat dus voorop. Anderzijds zou echter kunnen worden gedacht aan de mogelijkheid van een empirisch karakter der magische handelingen. Deze laatste mogelijkheid schijnt door den schrijver niet overwogen te zijn. Zijn verklaring van het geloof in de magie behoort tot het type der psychologistische verklaringen, die in de ethnologische theorieën over de primitieve religie nog overheerschend zijn en die van de methodologisch onjuiste veronderstelling uitgaan, dat het genetisch onderzoek van een verschijnsel reeds zonder meer een oordeel omtrent de geldigheid of werkelijkheid van dat verschijnsel inhoudt.

Voorzoover de schrijver zich heeft beperkt tot het nagaan van de factoren, die de ontwikkeling van het magische geloof begunstigen, is zijn onderzoek zeer interessant. Hij heeft daarbij terecht naar meer speciale en in de omgeving passende factoren gezocht dan naar algemeene verschijnselen als vrees, onmacht tegenover de natuur, enz.

De methode, die in een deel der tegenwoordige theoretische literatuur over natuurvolken aanhang vindt, waarbij de primitieve en „onze" mentaliteit op even generaliseerende als stellige wijze door enkele antithetische begrippenparen en formuleeringen getypeerd worden, wordt ook door dr Schneider gevolgd. Zoo stelt hij omtrent onze mentaliteit zeer flatteerend vast: „Der Kulturmensch hingegen vermag die vorgestellte Wirklichkeit der Gegenstande seines Glaubens nur solange anzunehmen — nicht: zu wissen —, als ihm nicht Tatsachen bekannt werden, die dem widersprechen." En hij is van oordeel, „dass sich in diesem Punkte der Kulturmensch dadurch vom Primitiven unterscheidet, dass in seinem Bewusstsein die Glaubensschicht wenn auch vielleicht nicht absolut, so doch zum mindesten deutlich scharfer _ gegen die Tatsachenschicht abgegrenzt ist, wahrend beim Primitiven eine solche Grenze überhaupt nicht zu existieren scheint" (blz. 42). Deze voorstelling is wel zeer simplistisch en zij houdt weinig