is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de serie blokdiagrammen van Davis geleverd heeft i). Lehmann heeft aangetoond, dat de door Davis voorgestelde meander-cyclus slechts voor het speciale geval geldt, dat er gedurende de geheele ontwikkeling een voortdurende harmonie bestaat tusschen puin-aanvoer en puin-transport. Aan deze voorwaarde zal echter in de natuur vaak niet voldaan worden, wat reeds in de vroege stadia van den Davis'schen meandercyclus tot uiting kan komen, bv. doordat de meander niet meer actief is, dat wil zeggen dat de rivierkronkels zich niet meer aan de dalwindingen aansluiten, zich er, als het ware, van losmaken. Dit komt ook voor, wanneer bv. tengevolge van verlies van bron- of zijrivieren, dus door zoogenaamde onthoofdingen, de watermassa abnormaal vermindert (hongerrivier, underfit river). W anneer echter dalgedeelten met „losse" meanders optreden tusschen deelen, waar een goede overeenstemming tusschen rivier- en dalmeanders bestaat, dan wijst dit op locale oorzaken: locale sterke denudatie van den dalwand (puin-afglijdingen, enz.), extra puinaanvoer door beken enz. Daardoor zal de geheele verdere dal-ontwikkeling op andere en veel minder regelmatige wijze plaats vinden dan door Davis geschetst werd, al kan ook dan in sommige gevallen een breede dalbodem met vrije riviermeanders het eindresultaat zijn. Lehmann meent dan ook, dat de uit vrije meanders geërfde dalmeanders door de macht der massa-bewegingen bij de verdere dalontwikkeling vaak ten gronde gaan, doch dat de bestaande echte meanderdalen alle voorkomen in gebieden van langzame opheffing, dus langzame diepteerosie, waar de storende invloed der massa-bewegingen derhalve veel geringer is.

Niet minder interessant dan de vraag naar de ontwikkeling der dalmeanders, is zeker de vraag naar hun ontstaan. In de Davis'sche terminologie uitgedrukt: Moet men zich het ontstaan der dalmeanders één- of tweecyclisch denken ? Davis zelf was van meening, dat beide ontstaanswijzen mogelijk waren. Bij de verklaring volgens de tweecjclische ontwikkeling ging Davis, zooals wij zagen, van vrije meanders uit; bij de ééncyclische echter van een rivier met onregelmatige krommingen, daar hij terecht aannam, dat rechtlijnig stroomende rivieren in de natuur niet voorkomen.

Bij dit laatste geval, het ééncyclische, zou men ons inziens echter nog onderscheid moeten maken tusschen kleine en groote, eenigszins regelmatige, flauwe bochten van de rivier. Kleine, flauwe bochten zullen onder den invloed van de massa-bewegingen tijdens de insnijding te niet gaan, of, indien dan al enkele bewaard zouden blijven, dan zullen zij zich niet tot groote dalmeanders kunnen ontwikkelen, want wanneer eenmaal een kronkel door het insnijden is vastgelegd, dan kan deze kronkel tijdens de verdere insnijding wel door zijwaartsche erosie in de breedte, dus in amplitude groeien, maar niet noemenswaard in de lengte, wat bij vrije meanders door het afsnijden en

i) O. Lehmann. Tal- und Flusswindungen und die Lehre vom geographischen Zyklus (Zeitschr. Ges. f. Erdk. Berlin 1915, 92—in, 171—179).