is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is echter de vraag, of zulke oude en teere reliëfvormen zich zoo lang kunnen handhaven, of zij niet eerder vormen zijn, jonger dan de schiervlakte. Wij moeten ons afvragen, of de schiervlakte niet het resultaat is van zijdelingsche erosie der hoofdrivieren en van de algemeene denudatie, die van deze uitgaat, welke samen het geheele gebergte-reliëf vernielden. De schiervlakte-vorm zou dan een verarming van het rivier- en dalnet beteekenen, en de oorsprongstrechters, die wij nu waarnemen, zouden pas ontstaan zijn bij en na de opheffing of opheffingen, die het vereffend gebied later heeft doorgemaakt.

Zou het niet mogelijk zijn, in de Quellmulden dellenachtige vormen te zien, die zich vormden langs de opstijgende dalflanken, welke dan in vele gevallen door de jonge erosie der kleine zijriviertjes of -beekjes bereikt werden ?

Wij raken hier — van heel andere overwegingen uitgaande — het dellenprobleem, zooals het door Schmitthenner werd gesteld. Zien wij in de Quellmulde het dalbegin van het schiervlakte-dal, dan is de ontwikkeling zeer eenvoudig voor te stellen. Altijd door zou het fijnvertakte net van beekjes hebben bestaan, ook in het schiervlakte-stadium. Gedurende het daaropvolgende stadium van opheffing of stadia van opheffing, zouden al deze riviertjes langs de weer opstijgende dalwanden door achterwaartsche erosie hun benedenloopen tot smalle ravijnen hebben vervormd, die min of meer duidelijk in de Quellmulden overgaan; in de hoogste gedeelten echter, de waterscheidende ruggen, heeft weinig of geen denudatie plaats gehad.

In het tegenovergestelde geval zouden wij in de waterscheidingen niet meer de oude schiervlakte zelf moeten zien, maar een denudatie-vlak, dat een bepaald bedrag dieper ligt en slechts bij benadering ons het werkelijke niveau van de schiervlakte aanduidt. En de Quellmulden zouden een, met deze denudatie gepaard gaande dellenvorming zijn, uit den tijd van en na de opheffingen der schiervlakte. Er liggen Quellmulden op zeer verschillende niveau's; zeker ook op niveau's, die overeenkomen met erosiestadia, welke jonger zijn dan de vorming der schier- of piedmontvlakte P3. Slechts schijnbaar geldt het hier een detailprobleem, m. i. was het noodig in dit verband op het wezen der Quellmulden te wijzen, omdat bij het onderzoek der hooggelegen terrassen en erosie-stadia sedert Ebert zoo dikwijls de „Quellmulden" als argument worden aangehaald.

Ook Pauli kent Quellmulden op verschillend niveau. Inderdaad moet het vraagstuk der Quellmulden beschouwd worden in verband met dat van de opeenvolging der erosie-stadia en der ineenschakeling der erosie-niveau's. In ieder geval zijn wij niet gerechtigd in iedere Quellmulde het begin van een dal der oude schiervlakte (c.q. primairromp) te zien. De in foto's no 6 en 7 afgebeelde Quellmulde bezuiden Pöszneck eindigt op 460 m. Op den kam is nog slechts sporadisch het oude schiervlakte-niveau in hoogten