is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den heeft. Noorsch Lapland heeft een weinig belangrijke ijzerertsmijn in Kirkenes aan de IJszee. Het gehalte is 30 % Fe, maar het wordt electrisch gesmolten, waarna de bovenste laag afgegoten wordt en een product met 60 % Fe overblijft.

De ontwikkeling van het agrarisch productieproces. De Zweedsche ertsmijnen hebben de nieuwe ontwikkeling van Lapland ingeleid. Terwijl het oude Lapland een vrijwel autarkisch bestaan voerde, waren de nieuwe mijnsteden voor hun voedselvoorziening aanvankelijk geheel op den aanvoer uit het Zuiden aangewezen.

Langzamerhand is het oude agrarische bedrijf van karakter veranderd en heeft het zich meer en meer op de levering van enkele producten ingesteld, die in Kiruna en Gallivare—Malmberget verkocht worden, waarna de boer zijn inkoopen bestaande uit ZuidZweedsche landbouw- en industrie-producten doet en naar zijn afgelegen hoeve terug keert. Het hooge welvaartspeil van de mijnwerkers heeft dus voor het agrarisch bedrijf in Lapland mogelijkheden geopend, welke in laatste instantie op de voordeelige ertsexploitatie en de dure transportkosten van sommige minder goed te vervoeren producten berusten.

De huidige ontsluiting van Lapland is op drieërlei methoden gericht : de verbetering van het verkeer, de vermeerdering van de landbouwgronden en de versterkte uitbreiding van de moderne beschaving. Uiteraard komen deze drie in voortdurend correlatief verband tot uiting; het zijn immers slechts drie door abstractie onderscheiden aspecten aan één ongescheiden realiteit, wat dus meer is dan een eenvoudige wisselwerking zonder werkelijke samenhang.

Wat de verbetering van het verkeer betreft, heeft algemeen aanleg van autowegen plaats met gemakkelijk te verkrijgen moreene-grind. Wij zien hier dus het merkwaardige feit, dat een landstreek eerst door spoorwegaanleg geopend werd en daarna door gewone wegenaanleg ontsloten kon worden. Gewoonlijk is de gang van zaken juist andersom, maar we hebben hier dan ook met een geografisch milieu te doen, dat zijn gelijke niet vindt.

Het tegenwoordige landbouwbedrijf steunt in de eerste plaats op het hoornlooze witbruine vee. Vandaar, dat de weinige alluviale sedimenten niet meer voldoende hooiland opleveren en men een aanvang gemaakt heeft met het ontwateren der uitgestrekte venen. De resultaten daarvan zal men echter eerst nog enkele jaren moeten aanzien, voordat een oordeel over de hierdoor verkregen mogelijkheden kan worden gevormd. Daarnaast levert de verbouw van aardappelen en enkele andere producten, meestal op glaciale en periglaciale afzettingen, een belangrijke inkomstenbron, maar dit hangt sterk van de locale verhoudingen af. Voor houtexploitatie, waarvan sommige auteurs groote verwachtingen koesteren, lijken de mogelijkheden gering, omdat Midden-Zweden grootere boomen leveren kan en wat het verkeer met de houtverbruikende landen betreft gunstiger gelegen is dan Lapland.