is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij maakt ons duidelijk, dat hij weet van ons verblijf aan den noordwestoever van het meer, er heen is gegaan, ons niet meer vond en nu steeds heeft uitgekeken naar onze komst. Ook weet hij de reden van mijn tournee en noodigt me uit in de buurt van zijn kampong (hij wijst ons reeds een geschikte open plek!) onze tent op te slaan en garandeert het welslagen van mijn onderzoek. Om te demonstreeren, hoe hij achter zijn clangenooten zal heen zetten, teneinde hen ter meting bij het bivak te brengen, begint hij in gebogen houding, alsof hij een pijl wil afschieten, met op elkaar geklemde lippen een brommend geluid voortbrengend, met zijn sterke beenen de grond te stampen, ronddraaiend en naar alle kanten met zijn nu weer felle oogen rondkijkend. Dat wordt goed! Ik blijf! Dadelijk is oud en jong in de weer hout voor onze tent te kappen, tot mijn groote verbazing, want voor alles wat een Ekari voor U doet, moet hij eerst een kigi hebben. Hier vraagt men niets, doch helpt.

De volgende dagen bewijzen, dat inderdaad de toegezegde hulp van den hoofdman effect heeft. Ik kan eenige dagen volop meten!

Zeer voldaan, vertrekken wij na een dag of drie naar Dijai, vergezeld van het dorpshoofd, die te kennen heeft gegeven, dat hij mij ook daar wil helpen. Wij spreken zelfs af, dat hij mee zal gaan tot Enarotali, dus de heelen verderen tocht zal meemaken, opdat ik hem als belooning een mooie zware ijzeren bijl zal kunnen geven. Zijn oogen glinsteren, als ik hem die belofte doe! Inderdaad heb ik te Dijai groote hulp van hem gehad; ook daar ging het werk vlot, dank zij zijn hulp. Toen wij vandaar per prauw het meer overstaken, volgde hij ons, liep voor mij uit om me te helpen bij groote terreinmoeilijkheden van den meeroever tot Jaba, ons laatste centrum van onderzoek, en aarzelde niet een blik over te nemen van een achterblijvenden drager, die op den terugweg van Jaba naar Enarotali moeilijkheden had met zijn vracht.

Op 25 Augustus 's middags half één waren wij in Prauwbivak, wachtende op de motorboot, die om ongeveer twee uur bij ons zou zijn. Om half drie kwam de boot en van verre zag ik leider Le Roux reeds wuiven met een pakje brieven, waaronder drie brieven van vrouwlief, maakte kennis met prof. Boschma, die enkele dagen geleden was aangekomen, en 's middags vijf uur waren wij na een prachtige vaart over de rivier Oeroemoeka, weer op het Paniai-meer en zetten na een maand voet aan wal te Enarotali.

De resultaten waren zeer bevredigend te noemen, na den aanvankelijken tegenslag. In totaal heb ik nu op de twee beschreven tochten 670 menschen kunnen meten, waaronder 257 vrouwen. Een goede collectie foto's van verschillende bevolkingstypen is verkregen en vol enthousiasme zullen wij 7 September a.s. onzen grooten tocht beginnen naar het Kemaboe-dal, het groote Moni-