is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stroomenden regen, met groote snelheid stroomaf; de meeste soela's konden wij in duizelingwekkende vaart afschieten; in den s-vormigen Bamboesi-val klopte mij het hart in de keel, maar onze transportarbeiders bleken in het verloopen halve jaar zeer veel ervaring te hebben gekregen in het manoeuvreeren met de corjalen en veilig komen wij op 20 Maart aan de samenvloeiing van Koetari en Sipaliwini, waar wij eenige schoten lossen om korporaal Meuldijk onze komst te melden. Aan een boom ter rechter oever is een houten bord vastgespijkerd met de onverwachte mededeeling: „Landhuis te huur, van alle gemakken voorzien" (zie foto no. 43). Korporaal Meuldijk heeft zijn zin voor humor blijkbaar niet verloren in de eenzaamheid. Even later drukken wij onzen braven telegrafist de hand en leidt hij ons.de lange trap tegen den heuvel op, een eerepoort met „Welkom" door, naar zijn huis naast het magazijn.

Met nimmer falenden ijver en moed heeft Meuldijk zijn eenzamen post hier bezet gehouden en zijn verantwoordelijk en moeilijk werk, vooral wat aangaat de voeding-distributie, tot een goed eind weten te brengen, waaraan wij onze gezondheid en zelfs ons leven te danken hebben.

Er is bij het magazijn en omgeving in dat halve jaar wel veel veranderd. Meuldijk is trots op zijn „grondjes"; de mais staat twee meter hoog en wordt juist rijp; de tomaten hebben reeds prachtige vruchten en wij nemen er een heelen voorraad mee.

En dan wordt op 24 Maart dat alles verlaten. Eenzaam blijft het magazijn en het „landhuis" dat „te huur" staat achter. De dieren uit het bosch en wellicht ook spoedig de Indianen (door wie Meuldijk nogal eens bezocht werd) zullen wel merken, dat de vreemdelingen vertrokken zijn ... om nooit weer terug te keeren.

Admiraal Kayser is reeds eenige weken geleden afgezakt om de Kamani, een groote rechter zijrivier van de Corantijn, in kaart te brengen. Wij vertrekken op 24 Maart naar haar monding om er hem af te wachten.

Over de verdere terugreis wil ik even snel heenglijden als het tempo van die reis zelve was. Soela's schoten wij in razende vaart af, een boot sloeg te pletter, er ging weer suiker verloren, het was soms een blijde afvaart en soms een nachtmerrie, maar wij kwamen er zonder menschelijk letsel uit, uit die ontzagwekkende wildernis van zwaardrukkende wouden en schuimende rivieren (zie foto no. 44). En op den negentienden dag, na het vertrek van het Hoofdmagazijn, is het een onbeschrijfelijke ontroering als de wereld weer tot ons komt ... in het geluid van het puffen van een motor; uit alle aanwezige geweren worden vreugdeschoten gelost en van heel ver antwoordt de stoomfluit van de barkas „Coppename".

Dien avond van den elfden April te Kaboeri betreden wij weer het gastvrije schip „Koningin Wilhelmina", waar kapitein Copoolse, mevrouw en professor Stahel en mevrouw Van Straelen, uit Nederland overgekomen, ons allerhartelijkst verwelkomen (zie foto no. 45). Al is het moeilijk weer aan een overdaad van borden, vorken, messen en