is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zij begrepen hem niet. Het slot van de historie was, dat wij, zoowel bij aankomst als bij vertrek, als vijanden werden beschouwd.

Van booten was bij de Indianen geen spoor te vinden.

6 Augustus. De rivier wordt steeds slechter; de Oelemari loopt als het ware in vingers uit, en zoekt kronkelend haar weg door een geweldige zwamp. De breedte van den diepsten tak, dien wij volgen, is ongeveer 10 meter, de diepte gemiddeld één meter; hij is bezaaid met takoeba's.

9 Augustus is de rivier vrij wat beter, er zijn minder takoeba's. De oevers zijn hier hooger, zoodat wij vaak vlak aan den oever, onder de gevallen boomen door kunnen varen. Om half vier komen wij bij rotsen. De admiraal verkent het terrein en ontdekt dat wij niet verder door kunnen varen; de rivier stroomt hier over een afstand van 300 meter onder de rotsen door. W ij maken aan den rechter oever kamp, en zullen morgen beginnen met een magazijn te bouwen.

MEDISCHE NOTITIES OVER DE GRENS-EXPEDITIES

DOOR

H. E. R O M B O U T s, arts

Het binnenland van Suriname is berucht om zijn malaria. In de jaren dat er militaire patrouilles de rivieren opgingen om de weggeloopen slaven, die zich tot benden vereenigd hadden, te bestrijden, vielen er meer slachtoffers aan de koortsen, dan door het gebruik van wapens.

Ook de expedities, die in de jaren tusschen 1899 en 1912 de groote rivieren van Suriname opvoeren en in kaart brachten, hadden met malaria te kampen en er vielen enkele slachtoffers, o.a. de leider van de expeditie van 1910—'11, Eilerts de Haan. Door het onderzoek van prof. Flu was komen vast te staan, dat de malaria van het binnenland vrijwel uitsluitend tot de gevaarlijke tropica-soort behoorde, terwijl aan de kust overwegend de tertiana voorkwam. Door prof. Flu was de proef op de som genomen, dat reizigers naar het bewoonde gebied van Suriname's binnenland zich kunnen vrijwaren tegen malariainfecties, door van 's avonds 6 uur tot den volgenden morgen 6 uur in een met muskietengaas afgesloten tent te verblijven. In de praktijk is zoo n maatregel echter vrij moeilijk door te voeren en in sommige gevallen onmogelijk, bv. wanneer er astronomische waarnemingen moeten worden uitgevoerd voor een nauwkeurige plaatsbepaling. Wij moesten dus naar andere voorzorgsmaatregelen uitzien en kozen daarvoor de kinine-prophylaxis, zooals die in het Indische Leger wordt toegepast op patrouilles. Daarvoor moesten wij dagelijks 0,4 a 0,5 gram hydrochloras chinini in pillen slikken en bovendien eens in de week 20 m gr. plasmochin.

Op de eerste expeditie besloten wij deze maatregel alleen op de vijf