is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan in te slaan? Men zou Stinstra versroeken in weerwil der Overheid zijn dienstwerk te hervatten; zijn de Staten genegen onze begeerte te voldoen, zoo redeneerde men, dan zullen zij het eerder bij oogluiking toestaan, dan door een adres gedrongen.

Dit voorstel werd aangenomen en Stinstra , van het besluit onderricht, scheen daartoe niet ongenegen; alleen verlangde hij, bij schrijven aan den Kerkeraad, dat deze hem een schriftelijk verzoek zou ter hand stellen door al de leden, die er in toestemden, onderteekend, en tevens zich verbinden, om voor alle zwarigheden, die er uit voort mogten komen , zooveel hij kon , in te staan , de boeten en de kosten te vergoeden. Met groote bereidwilligheid werd aan zijn verlangen voldaan; maar de hem ter hand gestelde stukken droegen niet in alle opzichten zijne goedkeuring weg; hij achtte het raadzaam, zoo schreef hij den Kerkeraad, van de geheele zaak af te zien, en wel omdat twee leden geweigerd hadden de stukken te onderteekenen; bij zulk een gewichtig besluit, waarvan de gevolgen niet te voorzien waren, rekende hij aller toestemming noodig. Wat een der twee nietonderteekenaars, met name Hero Rinkes ter zijner rechtvaardiging in den Kerkeraad aanvoerde, bewees dat geen laffe vrees hem bewoog, maar eerbied voor de Overheid; het verzet tegen haar wilde hij zoover niet drijven, hierin voorzichtiger dan de Kerkeraad, met welke prijzenswaardige bedoelingen deze ook het besluit had genomen. ])an nogmaals een request — zoo was nu het eenstemmige oordeel. Met kracht van redenen zou men op Stinstra's